Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 13 mei 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Na intrekking van zijn asielaanvraag op 20 mei 2025 werd de eerdere maatregel opgeheven en op 23 mei 2025 een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd. Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was en dat sprake was van kwade trouw van de minister, verwijzend naar het Bouskoura-arrest van het Europese Hof van Justitie.
De rechtbank oordeelde dat een gebrek in de eerste maatregel niet automatisch de daaropvolgende maatregel onrechtmatig maakt, tenzij sprake is van een ernstige schending van het fundamentele recht op vrijheid. In dit geval was er slechts sprake van één dag onrechtmatige detentie, onvoldoende voor een ernstige schending. Bovendien was er een geldige grondslag voor de nieuwe maatregel, die eiser niet betwistte.
De minister motiveerde de bewaring met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren, onder verwijzing naar diverse zware en lichte gronden uit het Vreemdelingenbesluit. De rechtbank vond deze motivering voldoende en stelde vast dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.