ECLI:NL:RBDHA:2025:12103

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28464
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Artikel 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid bewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet

De minister heeft op 24 juni 2025 aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b en c van de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat tevens geldt als verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2025 behandeld via telehoor.

De minister baseert de bewaring op de b-grond, waarbij sprake is van risico op onttrekking aan het toezicht, en op de c-grond, waarbij eiser de asielprocedure louter zou gebruiken om terugkeer te verijdelen. De rechtbank constateert dat de zware en lichte gronden van de b-grond niet zijn betwist en voldoende zijn gemotiveerd. Ook acht de rechtbank de c-grond terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd, mede omdat eiser de herhaalde asielaanvraag een dag voor geplande uitzetting indiende.

De rechtbank oordeelt dat geen lichter middel dan bewaring passend is, mede vanwege eerdere onttrekkingen aan toezicht en het niet opvolgen van een terugkeerbesluit. Verder is voldoende voortvarend gewerkt aan de asielaanvraag. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28464

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Inleiding

1. De minister heeft op 24 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser en een tolk zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De minister heeft onderhavige maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b (b-grond) en c (c-grond) van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen.
2.1.
Ten aanzien van de b-grond heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.2.
Ten aanzien van de c-grond heeft de minister overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Daarnaast heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend is toe te passen.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag en gronden van de b-grond
6. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en onvoldoende zouden zijn om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De stelling van eiser dat hij er gezien zijn asielaanvraag geen belang bij heeft zich aan toezicht te onttrekken, leidt niet tot een ander oordeel.
6.1.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b van de Vw is opgelegd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, [3] bijvoorbeeld de uitspraak van 6 december 2018, [4] volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht – door middel van de in het Vb opgenomen lichte en zware gronden [5] – ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. Uit overweging 6 volgt dat de gronden de maatregel kunnen dragen.
Grondslag c-grond
7. Eiser voert aan dat de c-grond niet aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser de herhaalde asielaanvraag alleen heeft ingediend om zijn terugkeer te verijdelen. Dat dit niet het geval is, blijkt volgens eiser ook uit de serieuze nieuwe feiten en omstandigheden waar eiser de herhaalde asielaanvraag op heeft gebaseerd.
7.1.
De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling en is van oordeel dat ook de c-grond terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Eiser werd al voor het opleggen van de huidige maatregel in bewaring gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn. Eiser heeft daarnaast al de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure gehad. Tot slot is in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom in redelijkheid kan worden aangenomen dat eiser de asielaanvraag heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Eiser heeft de herhaalde asielaanvraag namelijk één dag voor zijn geplande uitzetting ingediend.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien voor het opleggen van een lichter middel. De minister heeft eiser zwaar aan mogen rekenen dat hij zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken en geen gehoor heeft gegeven aan het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 25 februari 2025. De terecht aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden vormen daarnaast voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De enkele stelling van eiser dat hij vanwege zijn asielaanvraag juist in het zicht van de autoriteiten wil blijven, is onvoldoende voor een ander oordeel.
8.1.
Eiser heeft daarnaast geen medische omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Zoals de minister in de maatregel van bewaring heeft overwogen kan eiser zich ingeval van medische klachten wenden tot de medische dienst. Van de medische zorg in het detentiecentrum kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij.
Voortvarend werken aan de asielaanvraag
9. De rechtbank constateert dat eiser op 23 juni 2025 een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend. Uit het dossier blijkt dat op 1 juli 2025 een begin is gemaakt met het nader gehoor van eiser en dit gehoor op 3 juli 2025 is afgerond. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat het nader gehoor direct na het indienen van de herhaalde asielaanvraag plaats had moeten vinden en acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Conclusie en gevolgen

10. Concluderend is de rechtbank niet gebleken is dat een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Wat eiser verder naar voren heeft gebracht, geeft ook geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Deze gronden staan in artikel 5.1b, derde en vierde lid van het Vb.