De minister heeft op 20 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet, vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Bulgarije volgens de Dublinverordening en het risico op onderduiken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel en tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan. De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2025 behandeld via telehoor, waarbij eiser in het detentiecentrum aanwezig was en zijn gemachtigde en tolk op de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de gronden voor bewaring, waaronder het ontvangen overdrachtsbesluit, het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan, terecht zijn aangevoerd en voldoende onderbouwd zijn. De minister heeft ook gemotiveerd waarom een lichter middel niet toereikend is.
De omstandigheid dat eiser een zoon in Nederland heeft is door de minister voldoende meegewogen, waarbij is vastgesteld dat eiser geen gezag, zorgtaken of financiële ondersteuning heeft. Medische omstandigheden zijn niet aangevoerd.
De minister heeft voortvarend gehandeld met een vertrekgesprek en aankondiging van overdracht. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de overdracht niet zal plaatsvinden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.