ECLI:NL:RBDHA:2025:12105

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
NL25.27569
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwDublinverordeningVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister heeft op 20 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet, vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Bulgarije volgens de Dublinverordening en het risico op onderduiken.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel en tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan. De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2025 behandeld via telehoor, waarbij eiser in het detentiecentrum aanwezig was en zijn gemachtigde en tolk op de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de gronden voor bewaring, waaronder het ontvangen overdrachtsbesluit, het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan, terecht zijn aangevoerd en voldoende onderbouwd zijn. De minister heeft ook gemotiveerd waarom een lichter middel niet toereikend is.

De omstandigheid dat eiser een zoon in Nederland heeft is door de minister voldoende meegewogen, waarbij is vastgesteld dat eiser geen gezag, zorgtaken of financiële ondersteuning heeft. Medische omstandigheden zijn niet aangevoerd.

De minister heeft voortvarend gehandeld met een vertrekgesprek en aankondiging van overdracht. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de overdracht niet zal plaatsvinden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27569

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

van Armeense nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Inleiding

1. De minister heeft op 20 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser en een tolk zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(
lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Er is immers op 12 maart 2025 een claimakkoord ontvangen van de Bulgaarse autoriteiten. De overdracht aan Bulgarije staat gepland op 15 juli 2025.
Gronden7. De rechtbank is van oordeel dat de in de maatregel genoemde gronden terecht door de minister aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en vormen ook voldoende onderbouwing voor het standpunt van de minister dat er een significant risico op onderduiken bestaat en dat eiser de voorbereiding van de Dublinoverdracht ontwijkt of belemmert. Eiser heeft immers op 19 maart 2025 een overdrachtsbesluit ontvangen en verklaart hier niet aan mee te willen werken (3k). Dat deze grond onvoldoende is gemotiveerd en er geen risico op onderduiken bestaat omdat eiser enkel in de buurt van zijn zoon wil blijven, volgt de rechtbank niet. Feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is daarnaast dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft (4c). Een verblijf in een AZC of het overnachten bij kennissen kan niet als zodanig worden gezien. Tot slot beschikt eiser over onvoldoende middelen van bestaan (4d) en is ook daarbij het risico op onderduiken gemotiveerd.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Anders dan eiser stelt, kan de omstandigheid dat hij in 2022 is uitgezet naar Armenië en vervolgens naar Nederland is teruggekeerd, hem worden tegengeworpen. Een lichter middel volstaat niet om de overdracht van eiser te verzekeren.
8.1.
Eiser voert aan een zoon in Nederland te hebben en er alles aan te willen doen om contact met hem te kunnen onderhouden. Vanuit bewaring is dit niet mogelijk. Volgens eiser zijn de belangen van zijn zoon onvoldoende meegewogen bij het opleggen van de maatregel. Een lichter middel, zoals een meldplicht, dient te worden opgelegd zodat eiser invulling kan geven aan de omgang met zijn zoon.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de omstandigheid dat eiser een zoon in Nederland heeft, voldoende bij het opleggen van de maatregel heeft afgewogen. De minister heeft daarbij kunnen overwegen dat eiser geen gezag heeft over zijn zoon, geen zorgtaken ten opzichte van hem heeft en zijn zoon ook niet financieel ondersteunt. De inbewaringstelling van eiser heeft daarom geen invloed op zijn gezinsleven.
8.3.
De rechtbank constateert tot slot dat eiser geen medische omstandigheden naar voren heeft gebracht. Door de minister is eiser erop gewezen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid
9. De minister heeft op 23 juni 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast is op 27 juni 2025 de overdracht van eiser op 15 juli 2025 aangekondigd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
10. Nu eiser onder de Dublingrondslag valt, de minister voortvarend aan de overdracht werkt en de rechtbank anderzijds geen aanknopingspunten heeft dat gedurende de inbewaringstelling al duidelijk was dat overdracht uiteindelijk niet zou plaatsvinden, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat zicht op overdracht ontbreekt.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.