ECLI:NL:RBDHA:2025:12113

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28419
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwDublinverordeningVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bewaring en schadevergoeding bij Dublinoverdracht van Syrische vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 26 juni 2025 een maatregel van bewaring op aan eiseres, een Syrische vreemdeling, op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 3 juli 2025 opgeheven door de minister, waarna de rechtbank het beroep op 4 juli 2025 behandelde.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en daarmee aanleiding gaf tot schadevergoeding. De minister had de bewaring gebaseerd op zware gronden (3a en 3k) en lichte gronden (4c en 4d) uit de Vreemdelingenwet, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen in Nederland, het niet meewerken aan overdracht aan Zweden en het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan.

De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren, en dat een lichter middel niet toereikend was om de overdracht te waarborgen. De minister had voortvarend gehandeld door de overdracht op 3 juli 2025 te realiseren. De rechtbank volgde eiseres niet in haar stellingen over het ontbreken van nadere motivering en het bestaan van een serieuze relatie in Nederland. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28419

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Inleiding

1. De minister heeft op 26 juni 2025 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 3 juli 2025 opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich op de rechtbank in Groningen laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de
vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
5. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
6. Ondanks het verzoek daartoe, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het ambtshalve toetsen van het voortraject. Eiseres heeft het voortraject niet bestreden en de bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres viel onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestond een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. De overdracht van eiseres aan Zweden is op 3 juli 2025 gerealiseerd.
Gronden
8. De minister heeft op de zitting lichte grond 4a laten vallen.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a, 3k en de lichte gronden 4c en 4d, terecht door de minister aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en vormen ook voldoende onderbouwing voor het standpunt van de minister dat er een significant risico op onderduiken bestaat en dat eiseres de voorbereiding van de Dublinoverdracht ontwijkt of belemmert. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat uit lagere jurisprudentie volgt dat alle zware gronden nader gemotiveerd moeten worden en de feitelijke juistheid niet langer volstaat. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van vaste jurisprudentie van de Afdeling [2] op dit punt.
8.2.
Eiseres verklaart immers haar paspoort in Zweden te hebben achtergelaten en zonder identiteitsdocumenten naar Nederland te zijn gereisd (3a). Dat zij niet de intentie had om te onder te duiken, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond.
Daarnaast is aan eiseres op 4 november 2024 een overdrachtsbesluit opgelegd (3k). Eiseres heeft steeds aangegeven niet terug te willen keren naar Zweden. Op 4 december 2024 is zij niet verschenen om te worden overgedragen. De vraag of eiseres op dat moment wel mocht worden overgedragen omdat zij om een voorlopige voorziening had verzocht, kan in het midden blijven. Op 13 februari 2025 is zij namelijk wederom niet verschenen voor een overdracht. Daarnaast rende ze op 8 mei 2025 weg toen men haar staande wilde houden vanwege een geplande inbewaringstelling. Ook deze grond is dus feitelijk juist. Tot slot zijn de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist en is het risico op onderduiken daarbij gemotiveerd. De stelling dat eiseres een serieuze relatie in Nederland heeft en nooit de intentie heeft gehad onder te duiken, is onvoldoende voor een ander oordeel.
Lichter middel
9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiseres, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiseres niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op haar rustende vertrekplicht. De minister mag het eiseres zwaar aanrekenen dat zij eerder niet is verschenen voor een geplande overdracht. Een lichter middel volstaat niet om de overdracht van eiser te verzekeren.
9.1.
Eiseres heeft verklaard medicijnen te gebruiken voor haar maag. Door de minister is eiseres erop gewezen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Zeist aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
9.2.
Eiseres voert aan dat haar verloofde in Nederland woont en zij bij hem wil blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze omstandigheid voldoende heeft afgewogen in de maatregel van bewaring. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien een lichter middel aan eiseres op te leggen.
Voortvarendheid
10. De minister heeft op 26 juni 2025 de directeur van de Justitiële Inrichting te Soesterberg verzocht eiseres uit de inrichting te ontslaan ter fine van overdracht op 3 juli 2025. Ook de overdracht is op 26 juni 2025 aan eiseres aangekondigd. Op 3 juli 2025 is de overdracht gerealiseerd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
11. Nu eiseres onder de Dublingrondslag viel, de minister voortvarend aan de overdracht heeft gewerkt en de rechtbank anderzijds geen aanknopingspunten heeft dat gedurende de inbewaringstelling al duidelijk was dat overdracht uiteindelijk niet zou plaatsvinden, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat zicht op overdracht heeft ontbroken.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.