Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn voor zijn overdracht aan Kroatië te verlengen op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening wegens vermeend onderduiken.
De rechtbank heeft beoordeeld of de minister de verlenging op goede gronden heeft kunnen baseren. Volgens de minister was sprake van onderduiken omdat eiser niet op de afgesproken ophaaltijd aanwezig was en zijn verblijfplaats niet had gemeld. Eiser stelde echter dat hij niet tijdig en duidelijk was geïnformeerd over het moment en de plaats van overdracht, mede omdat zijn telefoon kapot was en hij zich niet prettig voelde op de opvanglocatie.
De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat eiser adequaat is geïnformeerd over de ophaaltijd en -plaats. De enkele afwezigheid op de opvanglocatie is onvoldoende om te concluderen dat eiser doelbewust ondergedoken was. Ook het bericht aan zijn zus is onvoldoende bewijs van kennis bij eiser zelf. Daarom mocht de minister de overdrachtstermijn niet verlengen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het verlengingsbesluit en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van € 1.814,- aan eiser.