ECLI:NL:RBDHA:2025:12119

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2025
Publicatiedatum
9 juli 2025
Zaaknummer
NL24.38169
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende betrokkenheid referentiekader

Eiser, een minderjarige met de Gambiaanse nationaliteit, vroeg asiel aan nadat hij vanwege problemen met zijn stiefvader Gambia ontvlucht was. De minister wees zijn aanvraag af omdat de geloofwaardigheid van het asielrelaas onvoldoende was onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dat de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid doordat hij niet expliciet rekening hield met het referentiekader van eiser, waaronder zijn minderjarige leeftijd, opleidingsniveau en culturele achtergrond. Dit referentiekader is cruciaal voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.

De minister stelde dat impliciet met het referentiekader rekening was gehouden, maar dit bleek niet uit het besluit. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende inzicht geeft in hoe deze persoonlijke omstandigheden zijn meegewogen.

Daarom vernietigt de rechtbank het besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarbij het referentiekader van eiser wel expliciet wordt betrokken. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen waarbij het referentiekader van eiser wordt betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38169

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Szirmai),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft het bestreden besluit namelijk onzorgvuldig voorbereid omdat hij eisers referentiekader onvoldoende (kenbaar) in de besluitvorming heeft betrokken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 september 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is geboren op [geboortedatum] 2005 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Eisers stiefvader heeft hem gevraagd om een tas te vervoeren. Hij is toen door de politie staande gehouden. Daarop bleek dat er drugs in de tas zaten. Nadat eiser aan de politie heeft verteld dat hij de tas moest vervoeren voor zijn stiefvader, is zijn stiefvader door de politie aangehouden. Vervolgens is eiser door zijn stiefvader geslagen en heeft zijn stiefvader gedreigd hem te vermoorden. Hiertegen heeft eiser aangifte proberen te doen. De politie hielp hem echter niet omdat het een familieprobleem was. Eiser is daarop Gambia ontvlucht.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met stiefvader.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers problemen met zijn stiefvader acht de minister daarentegen niet geloofwaardig omdat eiser geen documenten heeft overgelegd die dit deel van zijn asielrelaas staven en omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Op grond van het geloofwaardig geachte asielmotief kan eiser volgens de minister niet worden aangemerkt als vluchteling en loopt hij ook geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Gambia.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader?
5. Eiser betoogt dat de minister in de besluitvorming onvoldoende, of in elk geval onvoldoende kenbaar, rekening heeft gehouden met zijn minderjarige leeftijd, zijn opleidingsniveau en zijn culturele achtergrond. Vooral de leeftijd ten tijde van incident is van belang. Ook moet de minister er rekening mee houden dat eiser na aankomst in Nederland net 18 was en geen advocaat had. Hij heeft weinig besef qua tijd, zoals ook blijkt uit het medische advies. Dat moet meegenomen worden. Ook in het kader van bijvoorbeeld de tegenwerping wat betreft het stellen van vragen aan de stiefvader over de opdracht. Het is in die cultuur namelijk respectloos om vragen te stellen aan een ouder als minderjarige. Eiser is wel enkele jaren naar school geweest, maar in de vormende jaren heeft hij geen onderwijs meer gehad. Dus het is van belang dat het referentiekader benoemd wordt in het besluit, maar dat is onderbelicht gebleven.
5.1.
De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat hij in de besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Hoewel hij eisers referentiekader niet uitdrukkelijk in het voornemen of het bestreden besluit heeft opgenomen, is hier wel impliciet rekening mee gehouden. Zo heeft hij eiser bijvoorbeeld kunnen tegenwerpen dat hij vaag en summier heeft verklaard over het vervoeren van de tas, omdat dit de primaire reden is voor zijn vertrek uit Gambia. Van eiser had daarom verwacht mogen worden dat hij hier uitgebreider over zou verklaren. Daarnaast heeft hij eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen vragen heeft gesteld aan zijn stiefvader over de opdracht die hij kreeg. Eiser heeft zich namelijk in eerdere situaties, waarin zelfs sprake was van dreiging met fysiek geweld, wél assertief geuit naar zijn stiefvader. Tot slot heeft de minister op de zitting toegelicht dat hij van eiser had mogen verwachten dat hij gedetailleerder zou verklaren over de door hem meegemaakte gebeurtenissen, omdat hij een bepaalde mate van zelfredzaamheid heeft laten zien. Ondanks zijn minderjarige leeftijd is eiser namelijk alleen naar Nederland gevlucht en heeft hij tussendoor nog in Tunesië gewerkt.
5.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De minister heeft in de besluitvorming namelijk onvoldoende (kenbaar) rekening gehouden met eisers referentiekader. De minister heeft nagelaten om de aspecten die een rol kunnen spelen bij het referentiekader kenbaar bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas te betrekken. Uit zowel het voornemen als het bestreden besluit volgt namelijk niet hoe de minister rekening heeft gehouden met onder andere eisers minderjarige leeftijd ten tijde van de gestelde problemen en ten tijde van het gehoor, eisers opleidingsniveau en eisers culturele achtergrond. Dit blijkt ook niet uit de passages waar de minister op de zitting naar heeft verwezen. Dat aan eiser – ondanks zijn jonge leeftijd – toch hoge eisen gesteld mogen worden als gevolg van de zelfredzaamheid die hij tijdens zijn vlucht heeft laten zien, is ook niet in het besluit vermeld. Meerdere passages in het bestreden besluit, die door eiser in zijn beroepsgronden zijn uitgewerkt wijzen er eerder op dat de minister geen rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, maar dit is dus voor de rechtbank niet goed na te gaan, omdat expliciete overwegingen hierover in het bestreden besluit ontbreken. Zo werpt de minister eiser bijvoorbeeld tegen dat hij vaag en summier heeft verklaard over het vervoeren van de tas met drugs. Volgens de minister had van eiser verwacht mogen worden dat hij hier uitgebreider over had kunnen verklaren omdat dit de primaire reden is voor zijn vertrek uit Gambia. De minister maakt met deze overweging echter niet duidelijk of en hoe rekening is gehouden met het feit dat eiser ten tijde van het vervoeren van de tas nog minderjarig was. Ook werpt de minister eiser bijvoorbeeld tegen dat hij ontwijkend heeft geantwoord op de vraag wat hij vond van de opdracht die hij kreeg van zijn stiefvader. Eiser heeft echter in de zienswijze toegelicht dat het hem pas in het voornemen duidelijk werd dat de hoormedewerker met deze vraag wilde weten wat zijn ervaring was bij deze opdracht. Eiser heeft daarom in de zienswijze alsnog over zijn ervaring verklaard. Uit de enkele tegenwerping van de minister dat dit niet overeenkomt met eisers verklaring in het gehoor, volgt niet of en hoe de minister op dit punt rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Dit mede gelet op het feit dat de hoormedewerker deze vraag maar één keer aan eiser heeft gesteld en niet om verduidelijking heeft gevraagd. [2] De rechtbank betrekt bij dit oordeel ook het feit dat eiser correcties en aanvullingen heeft ingediend op het gehoor, waarbij hij aangeeft dat hij enkele vragen verkeerd begrepen heeft en problemen heeft met het verklaren over tijdsduur. Ter zitting meldt de minister hierover, dat aan de correcties en aanvullingen voorbij is gegaan en eiser gehouden wordt aan zijn verklaringen tijdens het gehoor. Vervolgens wordt eiser, bijvoorbeeld, tegengeworpen dat hij niet goed kan verklaren over wanneer hij de opdracht van zijn stiefvader kreeg. De minister had echter beter moeten uitleggen wat hij precies van eiser verwacht in dit opzicht. Nu de minister dit niet uitlegt en ook niet anderszins kan worden vastgesteld dat de persoonlijke kenmerken (het referentiekader) van eiser bij deze tegenwerping (en andere tegenwerpingen) betrokken zijn, kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat omdat het beroep alleen al hierom gegrond is, de beroepsgrond van eiser over de geloofwaardigheid van de problemen met zijn stiefvader niet meer besproken hoeft te worden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Zoals de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, heeft de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De minister heeft namelijk in de besluitvorming onvoldoende (kenbaar) rekening gehouden met eisers referentiekader. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,00 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 september 2024;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Verslag nader gehoor, p. 11.