In deze zaak draait het om een geschil tussen erfgenaam en mede-erfgenaam over de uitvoering van een vaststellingsovereenkomst betreffende de overdracht van onroerend goed. De vaststellingsovereenkomst vermeldde onjuist een adres van een pand dat niet in eigendom was van eiseres, wat leidde tot onduidelijkheid over welke onroerende zaak moest worden geleverd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid in de overeenkomst, omdat eiseres geen eigenaar was van het genoemde pand, maar wel van een ander pand dat zij naar verwachting wilde overdragen. De rechter stelt dat de wederpartij meer onderzoek had moeten doen naar de eigendomssituatie en daarom niet zonder meer mocht vertrouwen op de onjuiste adresvermelding.
Gezien deze impasse is de vaststellingsovereenkomst momenteel niet uitvoerbaar, waardoor de conservatoire beslagen niet executoriaal kunnen worden. De voorzieningenrechter heft daarom de beslagen op twee panden onvoorwaardelijk op en de overige beslagen voorwaardelijk, met de verplichting voor de beslaglegger om binnen vier weken nadere procesuele stappen te ondernemen. De proceskosten worden gecompenseerd.