Eiser heeft een asielaanvraag ingediend met het argument dat hij Somalische nationaliteit bezit en vreest voor vervolging door Al-Shabaab in Kenia en Somalië. Hij beschikte over een Keniaans paspoort dat hij via een reisagent had verkregen, maar ontkent de Keniaanse nationaliteit te hebben.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet geloofwaardig heeft gemaakt dat het Keniaanse paspoort frauduleus is verkregen. Eiser heeft onvoldoende inspanningen geleverd om de rechtsgeldigheid van het paspoort te betwisten, onder meer door het paspoort te vernietigen, waardoor onderzoek werd bemoeilijkt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser de Keniaanse nationaliteit bezit en dat de verklaringen van eiser niet samenhangend en aannemelijk zijn. De rechtbank wijst erop dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet kan terugkeren naar Somalië of Kenia en dat het beroep daarom ongegrond is. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.13512 en NL25.13513
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft op 1 maart 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 24 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. [naam] als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de telefonische tolk en de gemachtigde van verweerder. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met zaken NL25.13514 en NL25.13515 van een ander eiser, maar met dezelfde gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Het Keniaanse paspoort dat eiser in zijn bezit had, heeft hij via een reisagent gekocht. Eiser heeft niet de Keniaanse nationaliteit. Eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer naar Somalië of Kenia vreest voor Al-Shabaab, omdat hij problemen met ze heeft en ze hem ook in Kenia zouden vinden. Ook heeft eiser problemen ondervonden vanwege zijn religie en zijn stam.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: 1) identiteit, nationaliteit en herkomst en 2) problemen met Al-Shabaab in Kenia en 3) problemen vanwege zijn religie.
3.1.
Verweerder heeft eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig gevonden. Eiser is naar Nederland gereisd met een Keniaans paspoort en heeft een nationaliteitsverklaring ondertekend waaruit ook de Keniaanse nationaliteit blijkt. Verweerder heeft daarom de Keniaanse nationaliteit aangehouden. Verder heeft verweerder de andere elementen ook niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft gelet hierop geen vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag [1] en hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 vanPro het EVRM. [2] Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser hem heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit door onjuiste informatie te verstrekken en omdat eiser een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt. [3]
Wat vindt eiser?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn asielaanvraag niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren en hem geen inreisverbod had mogen opleggen. Verweerder houdt ten onrechte vast aan de gegevens in het Keniaanse paspoort. De gemachtigde van eiser heeft herhaaldelijk contact opgenomen met de Keniaanse ambassade en gerappelleerd. Eiser kan niet meer doen. Het is nu aan verweerder om eiser in het kader van de samenwerkingsplicht bij te staan in zijn pogingen de rechtsgeldigheid van het Keniaanse paspoort te onderzoeken. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. [4] Verder is eiser in het bezit gekomen van originele Somalische documenten en heeft hij deze ter onderzoek opgestuurd naar verweerder. Eiser kan met deze documenten zijn daadwerkelijke personalia aantonen en dus ook aantonen dat de personalia in het Keniaanse paspoort onjuist zijn. Verder stelt eiser dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan terugkeren naar Somalië of Kenia en dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Ten slotte stelt eiser dat de bewaring opgeheven dient te worden, omdat de grondslag van de inbewaringstelling is komen te vervallen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In een uitspraak van 14 maart 2024 [5] heeft de hoogste bestuursrechter uitgewerkt wat van een asielzoeker mag worden verwacht om aannemelijk te maken dat een paspoort op frauduleuze wijze is verkregen en wanneer verweerder nader onderzoek moet doen. Het ligt in de eerste plaats op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat een echt bevonden paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Van een asielzoeker mag worden verwacht dat hij of zij alles doet waar hij of zij redelijkerwijs toe in staat is om van de autoriteiten een verklaring te verkrijgen waaruit blijkt of zij het paspoort aanmerken als rechtsgeldig afgegeven en/of de asielzoeker als hun onderdaan beschouwen. Als een asielzoeker onvoldoende moeite heeft gedaan om zo een verklaring te verkrijgen, mag verweerder ervan uitgaan dat de asielzoeker de nationaliteit heeft die op het paspoort is vermeld. Als een asielzoeker een oprechte inspanning heeft geleverd om een verklaring te krijgen van de autoriteiten over de verkrijging van het paspoort en/of de nationaliteit maar daar niet in is geslaagd, is het aan verweerder om de autoriteiten te benaderen. De reactie die verweerder krijgt van de autoriteiten, bepaalt hoe hij de aanvraag verder moet beoordelen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij de Keniaanse nationaliteit niet heeft. Naast het feit dat eiser zonder problemen met het Keniaanse paspoort per vliegtuig van Kenia naar Nederland is gereisd, heeft eiser een nationaliteitsverklaring ondertekend waaruit ook de Keniaanse nationaliteit blijkt. Ook vormen de verklaringen van eiser volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verweerder heeft er daarbij op kunnen wijzen dat wisselend en ongerijmd heeft verklaard over de aanvraagdata, afgiftedata en overhandigingsdata van zijn Keniaanse paspoort en identiteitsbewijs. Ook heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser wisselend heeft verklaard over wanneer hij in Kenia of in Somalië verbleef. Dat eiser een e-mail heeft gestuurd naar de Keniaanse ambassade, geldt mede gelet op het door de hoogste bestuursrechter in de uitspraak van 14 maart 2024 geschetste kader, als onvoldoende inspanning. De stelling van eiser dat hij meerdere contactpogingen heeft gedaan en heeft gerappelleerd heeft hij niet onderbouwd. Uit de overgelegde mail van 16 april 2025 kan de rechtbank niet opmaken naar welke instantie eiser heeft gemaild. De rechtbank overweegt daarbij dat de hoogste bestuursrechter het benaderen van de diplomatieke vertegenwoordiging in haar uitspraak noemt als voorbeeld van een manier – dus niet de enige manier – waarop een vreemdeling een oprechte inspanning kan leveren om een verklaring te verkrijgen over de rechtsgeldigheid van het paspoort of over zijn status als onderdaan. Niet wordt uitgesloten dat het bijvoorbeeld ook mogelijk is de instantie die het paspoort heeft afgegeven, rechtstreeks te benaderen al dan niet door tussenkomst van een – lokale - advocaat. Ten slotte is van belang dat eiser door zich van zijn paspoort te ontdoen, zowel verweerder als de Keniaanse autoriteiten de mogelijkheid heeft ontnomen daar onderzoek naar te doen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank gevolgen voor de wijze waarop de samenwerkingsverplichting moet worden ingevuld en maakt dat in dit geval hogere eisen mogen worden gesteld aan de inspanningen en de verklaringen die eiser verricht en aflegt ter onderbouwing van zijn stelling dat het niet aannemelijk is dat hij (tevens) de Keniaanse nationaliteit heeft.
7. De verklaringen van eiser dat hij de Somalische etniciteit heeft en de in beroep ingebrachte Somalische documenten, maken het voorgaande niet anders. Met deze verklaringen en documenten kan eiser niet onderbouwen dat hij de Keniaanse nationaliteit niet bezit. Het is immers mogelijk dat eiser de Somalische etniciteit heeft maar enkel de Keniaanse nationaliteit bezit of dat hij zowel in het bezit is van de Keniaanse als de Somalische nationaliteit.
8. Voor zover het relaas van eiser zag op de redenen waarom hij niet terug zou kunnen keren naar Kenia, heeft verweerder zijn problemen met Al-Shabaab in Kenia ongeloofwaardig bevonden. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen dit onderdeel van het bestreden besluit. Omdat de rechtbank uitspraak doet op grondslag van het beroepschrift, zal de rechtbank geen oordeel geven over dit onderdeel van het bestreden besluit. [6]
9. Het door eiser aangevoerde punt over de rechtmatigheid van de bewaring, kan door de rechter in de asielprocedure niet worden beoordeeld. De rechtbank wijst erop dat eiser al een eerste beroep tegen de maatregel van bewaring heeft ingediend en dat de rechtbank in haar uitspraak daarop de rechtmatigheid van de bewaring heeft getoetst. [7] Verder kan eiser op elk moment een rechtsmiddel aanwenden tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.
Conclusie en gevolgen
10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1071.
5.Zie vorige noot.
6.Zie artikel 8:69 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.