ECLI:NL:RBDHA:2025:12170
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op tijdelijke bescherming Oekraïne voor derdelanders zonder permanente verblijfsvergunning
Eisers, een gezin met Turkmeense nationaliteit en een Oekraïense dochter, vroegen tijdelijke bescherming aan op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming vanwege de situatie in Oekraïne. Verweerder stelde dat eisers niet in aanmerking komen omdat zij op de peildatum 23 februari 2022 niet beschikten over een geldige en permanente Oekraïense verblijfsvergunning.
Eisers voerden aan dat eiseres 1 al sinds 2020 een geldige verblijfsvergunning had en dat eiser als echtgenoot en vader recht zou hebben op bescherming. Ook werd een beroep gedaan op artikel 8 EVRM Pro en werd de schending van de hoorplicht aangevoerd. De rechtbank oordeelde dat niet is aangetoond dat eiseres 1 op de peildatum over een geldige permanente verblijfsvergunning beschikte, omdat deze pas in 2024 is afgegeven. De stelling van eisers dat zij vanaf 1 januari 2022 in aanmerking kwam kon niet worden onderbouwd.
Voor eiser gold dat ook geen geldige permanente verblijfsvergunning bestond. De dochter valt niet zelfstandig onder de Richtlijn omdat zij na de peildatum is geboren en het verblijfsrecht van haar ouders geldt ook voor haar. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde wegens gebrek aan onderbouwing en het standpunt over de hoorplicht werd verworpen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep op tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard omdat eisers niet voldeden aan de peildatumvereiste voor een geldige permanente Oekraïense verblijfsvergunning.