ECLI:NL:RBDHA:2025:12173
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning mensenhandel met terugwerkende kracht en afwijzing wijzigingsaanvraag humanitair niet-tijdelijk
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, kreeg op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met tijdelijke humanitaire gronden. Na een besluit van de Officier van Justitie om niet tot vervolging over te gaan wegens onvoldoende bewijs, trok de minister de vergunning met terugwerkende kracht per 2 juni 2023 in en wees de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel naar 'humanitair niet-tijdelijk' af.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking met terugwerkende kracht geoorloofd is omdat de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend niet meer werden voldaan vanaf die datum. De minister had eiser hierover tijdig geïnformeerd, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden.
De afwijzing van de wijzigingsaanvraag berust op het niet voldoen aan het paspoortvereiste. De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikte over een geldig grensoverschrijdingsdocument en dat de minister het asielrelaas niet geloofwaardig achtte. Eiser heeft onvoldoende medische onderbouwing geleverd voor zijn psychische klachten en heeft geen aannemelijke poging gedaan om een paspoort te verkrijgen.
Daarnaast is de klacht over het niet horen van eiser in de bezwaarprocedure ongegrond, omdat het bezwaar niet voldoende gemotiveerd was en de minister redelijkerwijs kon vaststellen dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en de afwijzing van de wijzigingsaanvraag wordt ongegrond verklaard.