Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 3 december 2023 en verlengde de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/3 met negen maanden. Eiser stelde de minister op 1 mei 2025 schriftelijk in gebreke, waarna het beroep werd ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijk gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van zestien weken, waarbij binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna het besluit moet worden genomen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier mr. D.C. van de Mortel op 2 juli 2025.