ECLI:NL:RBDHA:2025:12237
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen nareisaanvraag
Verzoeker diende een tweede beroep in omdat de minister niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 28 mei 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en een verzoek tot proceskostenvergoeding indiende.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog te beslissen en dat verzoeker daarom recht had op vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank wees het verzoek om griffierechtsvrijstelling toe vanwege betalingsonmacht, maar de minister hoefde dit griffierecht niet te vergoeden.
De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €453,50, gebaseerd op een vast bedrag met een wegingsfactor van 0,5 wegens de lichte aard van de zaak. De rechtbank veroordeelde de minister in deze kosten en wees een zitting af omdat deze niet noodzakelijk werd geacht.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €453,50 aan proceskosten aan verzoeker.