Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres] , verzoekster,
[eiseressen] ,
:[v-nummer 2] ,
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Minister van Asiel en Migratie op 2 april 2025 het verzoekster haar aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 3 juli 2025, waarbij ook de partner van verzoekster aanwezig was met tolk, evenals de gemachtigden van beide partijen. Kort daarna heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.16298).
Gezien de uitspraak in de hoofdzaak achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.