Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser 1]
[eiser 2] ,
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een bestuursrechtelijk geschil tussen verzoekers, waaronder een minderjarige dochter, en de Minister van Asiel en Migratie. De minister had op 2 april 2025 het verzoek van de hoofdverzoeker niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van zijn dochter ongegrond.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 3 juli 2025, samen met een gerelateerd verzoek van de partner van verzoeker.
De voorzieningenrechter oordeelde dat vanwege de uitspraak op het hoofdberoep (zaaknummer NL25.16305) een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.