Eiser, een Turkse onderdaan, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), een vereiste ingevoerd per 1 oktober 2022.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, stellende dat het mvv-vereiste niet mag worden toegepast, maar verweerder handhaafde het besluit. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de meervoudige kamer van dezelfde rechtbank van 25 juli 2024, waarin werd bevestigd dat het mvv-vereiste gerechtvaardigd is en mag worden toegepast op Turkse staatsburgers.
Tijdens de zitting op 12 mei 2025 waren eiser en zijn gemachtigde afwezig zonder bericht van verhindering. De rechtbank oordeelde dat de afwijzing terecht was omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de Vreemdelingencirculaire 2000 en dat de aanscherping van het mvv-vereiste niet in strijd is met het Turks associatierecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
De rechtbank wees tevens het verzoek om griffierecht terug te krijgen af en gaf aan dat partijen in hoger beroep kunnen gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van deze uitspraak.