In deze verzetprocedure tegen een verstekvonnis in kort geding inzake merkinbreuk heeft de eiser, een Chinese rechtspersoon, nagelaten zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Hoewel aanvankelijk een advocaat was gesteld, heeft deze zich kort voor de mondelinge behandeling onttrokken en is geen nieuwe advocaat aangewezen.
De rechtbank oordeelt dat op grond van de wet en het procesreglement een eiser in verzet in kort geding verplicht is door een advocaat te worden vertegenwoordigd. Het niet verschijnen van een advocaat leidt tot ontslag van de instantie van de eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om een termijn te bieden om dit te herstellen, mede vanwege het karakter van de kortgedingprocedure en het uitblijven van reactie van de eiser.
De inhoudelijke beoordeling van het geschil blijft achterwege. De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, waarbij een redelijke vergoeding voor advocaatkosten wordt vastgesteld op 7.500 euro, vermeerderd met nakosten. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 8 juli 2025.