ECLI:NL:RBDHA:2025:12311

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
NL23.34259
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. van der Wal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Europees Verdrag voor de Rechten van de MensVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid over militaire zone in Azerbeidzjan

Eiser, een Azerbeidzjaanse hoogspanningsmonteur, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, nadat hij was gevlucht uit Azerbeidzjan uit vrees voor vervolging wegens het verlaten van een militaire zone tijdens zijn werkzaamheden. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af en verleende slechts tijdelijk uitstel van vertrek vanwege medische redenen.

De rechtbank behandelde het beroep op 27 mei 2025 en oordeelde dat het bestreden besluit zorgvuldig was voorbereid en voldoende gemotiveerd. De rechtbank achtte het eerste element van eisers verhaal, zijn identiteit en nationaliteit, geloofwaardig, maar vond onvoldoende bewijs voor de stelling dat hij problemen had gekregen door het verlaten van de militaire zone. Eisers verklaringen waren volgens de minister tegenstrijdig en summier, en hij had geen documenten overlegd ter onderbouwing van de strafrechtelijke procedure.

De rechtbank verwierp de beroepsgronden dat het geloofwaardige eerste element doorwerkt naar een reëel risico op vervolging en dat de minister ten onrechte de geloofwaardigheid van het tweede element betwistte. Ook het verzoek dat het uitstel van vertrek pas ingaat na de uitspraak op het beroep werd afgewezen, aangezien de wet voorschrijft dat uitstel op grond van medische redenen apart moet worden aangevraagd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34259

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 5 oktober 2023 (het bestreden besluit) waarbij eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) is afgewezen. De minister heeft in dit besluit ook bepaald dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend. Eiser krijgt wel (voorlopig) uitstel van vertrek vanwege medische redenen.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is, omdat de minister het bestreden besluit voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk genoeg heeft gemotiveerd. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van eisers asielaanvraag dus in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1965.
3.1.
Op 18 juli 2022 heeft eiser zijn asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit afgewezen. Ook heeft eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gekregen. Wel heeft de minister bepaald dat eiser vanwege medische redenen voorlopig uitstel van vertrek krijgt in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw. Met het besluit van 30 januari 2024 is die beslissing genomen en aan eiser uitstel van vertrek verleend van 5 oktober 2023 tot 18 april 2024.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en vindt dat de minister het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft hierna allereerst een beschrijving van eisers asielrelaas en het daarop gebaseerde bestreden besluit. Vervolgens bespreekt en beoordeelt de rechtbank de aangevoerde beroepsgronden. Daarna volgen de conclusie en de beslissing.
Eisers asielrelaas en het bestreden besluit
6. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is uit Azerbeidzjan gevlucht omdat hij vreest dat hij zal worden veroordeeld voor het verlaten van een militaire zone tijdens zijn werk. Nadat hij van zijn werk is gevlucht, heeft een wijkagent hem een oproep van de rechtbank overhandigd. Bij terugkeer naar Azerbeidzjan zal hij meteen worden gearresteerd. Als hij dan wordt veroordeeld en in de gevangenis terechtkomt, vreest hij dat hij dit niet zal overleven vanwege zijn gezondheidsproblemen.
7. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen wegens het verlaten van een militaire zone tijdens werkzaamheden als hoogspanningsmonteur.
7.1.
De minister heeft het eerste element geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft de minister het tweede element niet geloofwaardig geacht. Hoewel de minister eiser wel volgt in zijn verklaring dat hij heeft gewerkt als hoogspanningsmonteur in oorlogsgebieden, volgt de minister hem niet in zijn verklaring dat hij problemen heeft gekregen door het verlaten van een militaire zone. De minister heeft daartoe – samengevat weergegeven – overwogen dat eisers verklaringen tegenstrijdig en summier zijn en dat deze onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt, wat afbreuk doet aan zijn geloofwaardigheid. Daarnaast heeft eiser de strafrechtelijke procedure niet met documenten of verklaringen weten te onderbouwen.
Beroepsgrond 1: De doorwerking van het geloofwaardig geachte eerste element
8. Eiser vindt dat de minister het geloofwaardig geachte eerste element ten onrechte niet laat doorwerken in de beoordeling van het feit dat hij gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hij heeft zijn hele leven in Azerbeidzjan gewoond en persoonlijk de bedreigingen en gevaarlijke situaties meegemaakt. Ter illustratie wijst eiser op een bericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken waarin wordt geadviseerd om niet naar de roodgekleurde gebieden in Azerbeidzjan te reizen, omdat daar grote veiligheidsrisico’s zijn.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat het geloofwaardig geachte eerste element niet leidt tot een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Azerbeidzjan. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat er geen noemenswaardige schermutselingen meer zijn tussen Armenië en Azerbeidzjan en eiser alleen op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Nu eiser zelf heeft verklaard geen problemen te hebben ondervonden wegens ras, godsdienst, nationaliteit en het behoren tot een bepaalde sociale groep, heeft de minister terecht overwogen dat het niet aannemelijk is dat eiser om die redenen te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Tot slot heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Azerbeidzjan geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, mede gelet op eisers eigen verklaring dat hij nooit problemen heeft gehad, met uitzondering van de problemen die zien op het verlaten van zijn werk in een militaire zone, die door de minister ongeloofwaardig worden geacht.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Beroepsgrond 2: De geloofwaardigheid van het tweede element
9. Eiser vindt het onterecht dat de minister niet gelooft dat hij problemen heeft ondervonden door het willen stoppen met zijn werkzaamheden als hoogspanningsmonteur in een militaire zone. Eiser heeft hierover namelijk duidelijk verklaard en aangegeven dat hij geen ontslag mocht nemen, omdat zijn werk als te belangrijk werd beschouwd. Volgens eiser komt dit feitelijk neer op dwangarbeid. Toen hij was gevlucht van zijn werk, kreeg hij al snel te maken met de gevolgen hiervan. Hij heeft een dagvaarding ontvangen waaruit blijkt dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem is gestart. Na contact met en op advies van advocaten bij een juridisch loket, zag hij geen andere optie dan vluchten.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat eiser de problemen niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser de argumenten uit het voornemen (zie overweging 7.1), niet inhoudelijk en onderbouwd heeft betwist in zijn zienswijze. Eiser heeft zowel zijn poging om ontslag te nemen bij zijn werkgever als de strafrechtelijke procedure tegen hem op geen enkele wijze – bijvoorbeeld met documenten of verklaringen van anderen – onderbouwd.
9.2.
Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
Beroepsgrond 3: Uitstel van vertrek
10. Aan eiser is (voorlopig) uitstel van vertrek verleend. Eiser is het daarmee eens, maar vindt dat dit pas moet ingaan nadat op het beroep is beslist. Tijdens de beroepsprocedure mag eiser namelijk al in Nederland mag blijven vanwege de opschortende werking van het beroep.
10.1.
Ter zitting hebben eiser en zijn gemachtigde toegelicht dat eiser nog altijd (zorgelijke) medische klachten heeft, waarvoor hij onder behandeling staat en medische zorg nodig heeft die niet beschikbaar is in Azerbeidzjan. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting aangegeven dat eiser opnieuw om uitstel van vertrek kan verzoeken. De situatie wordt dan opnieuw beoordeeld.
10.2.
De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.
10.2.1.
Artikel 64 van Pro de Vw bepaalt dat uitzetting achterwege blijft zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. Een vreemdeling kan zelf een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van dit artikel indienen.
10.2.2.
Vast staat dat de periode waarvoor aan eiser (voorlopig) uitstel van vertrek is verleend, inmiddels is verstreken. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of aan eiser (opnieuw) uitstel van vertrek moet worden verleend. Gelet op de wet- en regelgeving en de toelichting van de gemachtigde van de minister ter zitting, is het aan eiser om (eventueel) opnieuw een aanvraag voor uitstel van vertrek in te dienen. Eisers verzoek om te bepalen dat het eerder aan hem verleende (voorlopige) uitstel van vertrek pas ingaat nadat op het beroep is beslist, wijst de rechtbank daarom af.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom niet vernietigen en zal de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand houden.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u de behandeling van het hoger beroep niet kunt afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.