AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep en verzoek voorlopige voorziening wegens niet-betaling griffierecht
De rechtbank Den Haag behandelde op 13 juni 2025 het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 25 mei 2023. De eiseres had het griffierecht voor beide zaken niet betaald, waardoor de rechtbank het beroep en verzoek niet inhoudelijk kon behandelen.
De rechtbank wees erop dat het betalen van griffierecht verplicht is volgens artikel 8:41 enPro 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht. Ondanks meerdere aanmaningen en de mogelijkheid om vrijstelling te verzoeken, reageerde eiseres niet of gaf zij geen geldige reden voor het niet betalen. De rechtbank stuurde een aangetekende brief en wees het verzoek om vrijstelling af.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep en het verzoek niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Er werd geen inhoudelijke uitspraak gedaan over het beroep en het verzoek. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf in aanwezigheid van griffier L.M. Kalkman.
Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 23/6736 en AWB 23/6737
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: S. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van verweerder van 25 mei 2023.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaken niet nodig is. Eiseres heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de rechtbank de zaken niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Iemand die in beroep gaat of een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb. In dit geval is het griffierecht voor beide zaken € 184,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep en het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft eiseres op 21 februari 2025 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiseres het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank.
5. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht. De rechtbank heeft eiseres bij brieven van 30 juni 2023, 1 september 2023 en
6 maart 2024 de gelegenheid gegeven om haar verzoek nader te onderbouwen. Eiseres heeft hierop niet gereageerd. De rechtbank heeft eiseres op 20 februari 2025 een brief gestuurd waarin staat dat haar verzoek is afgewezen en dat zij het griffierecht wel moet betalen. Eiseres moest dit doen voor 21 maart 2025.
6. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Eiseres heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
6. Het beroep en het verzoek zullen niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het beroep en het verzoek doen. Het beroep en het verzoek zijn kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54, eerste lid, van de Awb).
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep en het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van L.M. Kalkman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.