Eiseres sloot een zorgovereenkomst met haar vader voor individuele begeleiding en verzorging, waarbij de Sociale Verzekeringsbank gemachtigd was om loonheffing en Zvw-bijdragen in te houden. Na ziekmelding weigerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een Ziektewetuitkering toe te kennen, omdat eiseres niet als werknemer werd beschouwd.
Eiseres maakte bezwaar en stelde dat de feitelijke situatie een arbeidsovereenkomst inhield, met een gezagsverhouding en loonbetaling. Verweerder handhaafde het besluit en stelde dat de overeenkomst een overeenkomst van opdracht betrof zonder gezagsverhouding, zonder premies voor werknemersverzekeringen en zonder essentiële arbeidsvoorwaarden.
De rechtbank concludeerde dat de zorgovereenkomst niet als arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt. Er was geen gezagsverhouding, essentiële arbeidsvoorwaarden ontbraken en er werden geen SV-premies afgedragen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.