De minister van Asiel en Migratie legde op 8 april 2025 aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, een maatregel van bewaring op. Deze maatregel duurde voort en de minister stelde de rechtbank hiervan op de hoogte, wat werd gelijkgesteld met een beroep van eiser tegen de voortzetting.
De rechtbank toetste uitsluitend de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 18 april 2025, het moment waarop het vorige onderzoek werd gesloten. Eiser stelde dat de minister niet voortvarend genoeg handelde bij zijn uitzetting, mede omdat hij had aangegeven mee te werken aan vertrek indien de Algerijnse autoriteiten een laissez-passer zouden verstrekken.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er zijn meerdere rappelleringen gedaan en vertrekgesprekken gevoerd. Eiser verleende echter geen verdere medewerking, zoals het aanleveren van documenten of het schrijven van een vrijwilligersbrief.
Ook was er geen aanleiding voor de minister om een lichter middel dan bewaring toe te passen. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de voortzetting van de maatregel en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.