De rechtbank Den Haag behandelde de ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die op 20 november 2024 door het gerechtshof Den Haag was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke overtredingen van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie. Het onderzoek vond plaats over meerdere zittingen tussen december 2021 en juni 2025, met schriftelijke voorbereidingen en conclusiewisselingen.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van ruim €3,4 miljoen, later verhoogd naar circa €3,56 miljoen, gebaseerd op een rapport van september 2021 en nadere berekeningen. De verdediging betwistte de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, met name over de prijs per kilo cocaïne en de opbrengsten van onderschepte transporten, en stelde aftrek van bepaalde kosten voor.
De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde leiding gaf aan de criminele organisatie en winst deelde met andere leidinggevenden. Voor periode 1 (mei 2020) werd het wederrechtelijk voordeel vastgesteld op circa €193.453, voor periode 2 (2018-2020) op €1.603.485, en periode 3 (2015-2018) werd niet meegenomen wegens onvoldoende bewijs. Kosten voor EncroChat-abonnementen werden niet in mindering gebracht, terwijl kosten voor dummytransporten wel werden afgetrokken.
De rechtbank mat de betalingsverplichting met 5% vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim anderhalf jaar, waardoor de betalingsverplichting op €1.707.091,30 werd vastgesteld. Tevens werd een gijzelingstermijn van 1080 dagen bepaald voor het geval van niet-betaling. De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.