Eiser, exploitant van een supermarkt, vroeg compensatie van de transitievergoeding aan na beëindiging van het dienstverband van zijn werknemer vanwege pensionering en bedrijfsbeëindiging. Verweerder, het UWV, wees de aanvraag af omdat eiser de AOW-leeftijd niet binnen zes maanden na het verzoek tot opzegging had bereikt. Eiser stelde dat hij niet op de hoogte was van deze voorwaarde en beriep zich op het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheid van de procedure.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke regeling, zoals vastgelegd in het Besluit compensatie transitievergoeding, dwingendrechtelijk is en dat verweerder terecht de aanvraag heeft afgewezen. Eiser had voldoende informatie ontvangen over de voorwaarden en had geen concrete toezeggingen ontvangen die een gerechtvaardigde verwachting konden scheppen. Ook de procedure werd als zorgvuldig beoordeeld.
Het beroep is ongegrond verklaard, en eiser krijgt het griffierecht niet terug. Er zijn geen proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter D.R. van der Meer op 16 juli 2025.