ECLI:NL:RBDHA:2025:1252

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2025
Publicatiedatum
3 februari 2025
Zaaknummer
NL25.2287
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen te late omzetting maatregel van bewaring en toekenning schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 30 januari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op 26 december 2024. De maatregel was eerder getoetst en op 14 januari 2025 opgeheven nadat eiser zijn asielaanvraag had ingetrokken. De rechtbank beoordeelde nu of de maatregel sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 8 januari 2025 rechtmatig was.

Eiser stelde dat de maatregel te laat was omgezet nadat hij op 9 januari 2025 zijn asielaanvraag had ingetrokken. De minister had volgens vaste rechtspraak binnen 48 uur de maatregel moeten omzetten, maar deed dit pas op 14 januari 2025. Hierdoor was de maatregel vanaf 12 januari 2025 tot 14 januari 2025 onrechtmatig voortgezet.

De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond was vanwege deze onrechtmatigheid, maar dat dit niet leidde tot opheffing van de maatregel omdat deze al was opgeheven en een nieuwe maatregel was opgelegd. Wel werd eiser een schadevergoeding van €300 toegekend voor twee dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Daarnaast werd de minister veroordeeld in de proceskosten van €907.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, kent een schadevergoeding van €300 toe en veroordeelt de minister in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2287

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 26 december 2024.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 14 januari 2025. [1]
De minister heeft op 14 januari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser zijn asielaanvraag van 26 december 2024 heeft ingetrokken.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd en een model M113 (Opheffing van maatregel als bedoeld in artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000). Eiser heeft hier op gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 23 januari 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Uit de uitspraak van 14 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 8 januari 2025) rechtmatig is.
1.1.
Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Is de maatregel van bewaring te laat omgezet?
2. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring van 26 december 2024 te laat is omgezet. Eiser heeft op 9 januari 2025 zijn asielaanvraag ingetrokken, waarna de minister 48 uur de tijd had om de maatregel om te zetten. De minister heeft dit echter pas op 14 januari 2025 gedaan. Hierdoor is de maatregel van 26 december 2024 onrechtmatig geworden.
2.1.
De beroepsgrond slaagt. Volgens vaste rechtspraak dient de minister een maatregel van bewaring binnen 48 uur om te zetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust. Uit het M53 formulier (verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning) blijkt dat eiser op 9 januari 2025 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Dit betekent dat de minister uiterlijk op 11 januari 2025 de maatregel had moeten omzetten naar een andere grondslag. Dat is pas op 14 januari 2025 gebeurd, zodat de aan eiser op 26 december 2024 opgelegde maatregel van bewaring met ingang van 12 januari 2025 niet langer op de juiste wettelijke grondslag heeft berust. Vanaf dat moment tot de omzetting op 14 januari 2025 heeft de bewaring onrechtmatig voortgeduurd.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond, omdat deze maatregel vanaf 12 januari 2025 (tot de opheffing daarvan op 14 januari 2024) onrechtmatig heeft voortgeduurd. Dit leidt echter niet tot het opheffen van de maatregel van bewaring of het in vrijheid stellen van eiser, omdat deze maatregel van bewaring al is opgeheven en eiser aansluitend een nieuwe maatregel van bewaring is opgelegd. De nieuwe maatregel ligt niet ter beoordeling voor. De rechtbank kent wel een schadevergoeding toe voor twee dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel: 3 x € 100 (verblijf detentiecentrum) = € 300.
4. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 300 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Zwolle) 14 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:184.