Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aanvraag in het kader van nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de minister was opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, eventueel met een verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Eiser stelt dat de minister niet binnen deze termijn heeft beslist noch schriftelijk heeft meegedeeld dat nader onderzoek nodig was. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn uit de eerdere uitspraak.
De minister heeft geen verweerschrift ingediend en heeft niet binnen de gestelde termijn besloten. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een nieuwe beslistermijn van twee weken op en verbindt daaraan een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €453,50 aan eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier Y.M.C.W. Mutsaers, en is op 30 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.