ECLI:NL:RBDHA:2025:12603

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
14 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29114
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 lid 3 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 59a lid 1 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring Syriër onrechtmatig wegens onvoldoende voortvarendheid bij overdracht aan Duitsland

Eiser, een Syrische asielzoeker, kreeg op 30 juni 2025 een maatregel van bewaring opgelegd in het kader van zijn overdracht aan de Duitse autoriteiten volgens de Dublinverordening. Op 4 juli 2025 ging de overdracht niet door omdat de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O) vergeten was eiser op te halen, wat aan verweerder is toe te rekenen.

De rechtbank overweegt dat bewaring slechts zo kort mogelijk mag duren en dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door de overdracht uit te stellen tot 10 juli 2025 zonder gegronde reden. Eiser werkte mee en wilde zo spoedig mogelijk worden overgedragen.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, oordeelt dat de bewaring vanaf 4 juli 2025 onrechtmatig is en beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 9 juli 2025. Tevens kent zij een schadevergoeding van €600 toe voor zes dagen onrechtmatige detentie en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij overdracht en eiser krijgt een schadevergoeding van €600 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29114

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. Aan eiser is op 30 juni 2025 een maatregel van bewaring opgelegd. Op 2 juli 2025 heeft verweerder een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Tijdens dit vertrekgesprek is aan eiser medegedeeld dat hij op 4 juli 2025 zal worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening. [2] De overdracht zou over land plaatsvinden.
3. Op 4 juli 2025 is de overdracht van eiser aan de Duitse autoriteiten niet doorgegaan. DV&O [3] is vergeten eiser op te halen om overgedragen te worden. Op dezelfde dag zijn de Duitse autoriteiten geïnformeerd over een nieuwe overdracht van eiser. Deze overdracht staat gepland op 10 juli 2025 en zal eveneens over land plaatsvinden.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Dat de overdracht op 4 juli 2025 niet is doorgegaan, is niet aan eiser toe te rekenen. Eiser werkt mee en wil zo spoedig mogelijk worden overgedragen aan Duitsland.
5. De rechtbank overweegt het navolgende over het voortvarend handelen.
6. Op grond van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening duurt de bewaring zo kort mogelijk en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd.
7. Niet in geschil is dat DV&O is vergeten eiser op te halen op 4 juli 2025, zodat het aan verweerder is toe te rekenen dat de overdracht op die datum niet is doorgegaan. Het is de rechtbank verder niet gebleken waarom de overdracht van eiser niet eerder, dan de nu gepland overdracht van 10 juli 2025, kan plaatsvinden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit de stukken in het dossier blijkt dat eiser sinds de oplegging van de maatregel van bewaring meewerkt aan zijn overdracht. [4] Op zitting heeft hij dit nogmaals bevestigd. Verder betrekt de rechtbank de feitelijke situatie van de overdracht bij dit oordeel. Eiser wordt per auto getransporteerd naar [plaats 1] – [plaats 2] . Gelet daarop valt niet in te zien welke praktische of organisatorische problemen eraan in de weg staan om de overdracht eerder dan 10 juli 2025 te laten plaatsvinden. Het standpunt van verweerder dat eiser eerder heeft verklaard niet naar Duitsland te willen gaan en eerder met onbekende bestemming is vertrokken, leidt, gelet op het voorgaande, niet tot een ander oordeel. Hierbij acht de rechtbank nog van belang te benadrukken dat elke bewaring een ernstige inmenging vormt op het recht op vrijheid. [5] Verweerder is gehouden om de bewaring zo kort mogelijk te houden en niet langer dan nodig is.
8. Gelet op het voorgaande handelt verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers overdracht aan Duitsland. Om die reden is het beroep gegrond en de maatregel van bewaring met ingang van 4 juli 2025 onrechtmatig. De rechtbank komt gelet hierop niet meer toe aan bespreking van de overige beroepsgronden.
9. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank zal een schadevergoeding toekennen voor zes dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende maatregel, tot een bedrag van € 600: te weten 6 x € 100 (verblijf detentiecentrum).
10. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb [6] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 9 juli 2025;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600 (zeshonderd euro), te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; en
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814 (achttienhonderdveertien euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, uitgesproken op 9 juli 2025 en openbaar gemaakt op 14 juli 2025 door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verweerder op 9 juli 2025 om 15:51 uur en aan de gemachtigde van eiser op 9 juli 2025 om 15:57 uur.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Dienst Vervoer & Ondersteuning.
4.Verslag vertrekgesprek van 2 juli 2025, p. 1 van 2.
5.HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
6.Besluit proceskosten bestuursrecht.