ECLI:NL:RBDHA:2025:12612

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2025
Publicatiedatum
14 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29230
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in asielprocedure van Chinese vreemdeling

Eiser, een Chinese nationaliteit dragende vreemdeling, heeft tegen een maatregel van bewaring beroep ingesteld die door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, mede vanwege het vertrek met onbekende bestemming na een afgewezen asielaanvraag.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht zware gronden heeft aangevoerd, waaronder het niet naleven van verblijfsverplichtingen en het niet opvolgen van een terugkeerbesluit. De rechtbank vindt dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat het verzoek van eiser om een eerder gehoor niet gegrond is.

Hoewel eiser aanvoert dat een lichter middel passend zou zijn vanwege de lopende asielprocedure en medewerking van China aan terugkeer, erkent de minister dat terugkeer op dit moment niet zal plaatsvinden en motiveert waarom bewaring noodzakelijk is. De ambtshalve toetsing leidt niet tot een oordeel van onrechtmatigheid.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst tevens het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29230

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 2000 en heeft de Chinese nationaliteit.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, met name indien sprake is van een risico op onttrekking. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist zware grond 3a. Hiertoe voert hij aan dat hij in het kader van de Dublinverordening [4] vanuit Noorwegen is overgedragen aan Nederland.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft op 5 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend. Hij is vervolgens op 16 april 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Op 10 mei 2025 is eisers asielaanvraag vervolgens afgewezen. Dit besluit betreft tevens een terugkeerbesluit. De gronden 3b en 3c zijn daarmee feitelijk juist en deze gronden zijn reeds voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.
Voortvarend handelen en lichter middel
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat eiser op 10 juli 2025 wordt gehoord op zijn asielaanvraag. De stelling van eiser dat het gehoor eerder ingepland had moeten worden, volgt de rechtbank niet.
6. Verder voert eiser aan dat de maatregel van bewaring onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Zo blijkt uit de motivering dat zicht op uitzetting aanwezig is en China meewerkt aan gedwongen terugkeer terwijl in eisers geval sprake is van een asielprocedure. Gelet hierop had verweerder moeten volstaan met een lichter middel.
7. Ter zitting erkent verweerder dat ten onrechte overwegingen zijn opgenomen ten aanzien van terugkeer. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de maatregel van bewaring voldoende blijkt dat sprake is van een lopende asielprocedure en verweerder gedurende de procedure niet zal overgaan tot uitzetting. Verder heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, volgt een risico op onttrekking aan het toezicht. Daarnaast is eiser op 16 april 2025 met onbekende bestemming vertrokken.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Verordening (EU) nr. 604/2013.