Eiser diende een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in, waarop de minister niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden heeft beslist. Eiser stelde de minister op 2 juni 2025 schriftelijk in gebreke en stelde daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de beslistermijn heeft besloten. Gezien het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, past de rechtbank het 8+8-wekenmodel toe: de minister moet binnen acht weken na verzending van het vonnis een nader gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.