Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 15 februari 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiseres stelde de minister op 16 mei 2025 in gebreke en startte daarna het beroep.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Gezien het ontbreken van een hoorzitting over de asielmotieven, legt de rechtbank een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na uitspraak moet een gehoor plaatsvinden en binnen acht weken daarna het besluit worden genomen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. Omdat de wettelijke bepalingen omtrent bestuurlijke dwangsommen sinds 15 april 2025 niet meer gelden, kan de rechtbank de reeds verbeurde dwangsom niet vaststellen.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 453,50 vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. Mulder op 9 juli 2025.