Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 15 oktober 2024 ontvangen, waarbij de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 9 mei 2025 in gebreke en diende daarna beroep in, wat gegrond werd verklaard.
De rechtbank volgt het 8+8-wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven en binnen acht weken daarna het besluit moet nemen. De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 15.000,-, voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener. De uitspraak is gedaan zonder zitting en vernietigt het niet tijdig genomen besluit, met een duidelijke termijn en sanctie voor de minister.