Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:12670

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
NL25.12555
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 3 EVRMArtikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen kennelijk ongegrond verklaard beroep op Dublinverordening afgewezen

Opposant, een Nigeriaanse asielzoeker, diende een aanvraag in Nederland in die niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. Het beroep tegen deze beslissing werd buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard. Opposant stelde in verzet dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep zonder zitting werd afgewezen en dat hij een reëel risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro bij overdracht aan Frankrijk.

De rechtbank oordeelde dat de eerdere uitspraak terecht was omdat het beroep buiten redelijke twijfel ongegrond was en dat de aangevoerde medische en psychische klachten niet eerder waren ingebracht en daarom niet tot twijfel over de uitkomst leidden. De rechtbank vond geen aanleiding om het beroep alsnog inhoudelijk te behandelen.

Het verzet werd ongegrond verklaard, waarmee de eerdere uitspraak in stand bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze beslissing.

Uitkomst: Het verzet tegen de kennelijk ongegrond verklaarde asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12555

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet in de zaak tussen

[opposant]

V-nummer: [v-nummer] , Opposant,
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en
de Minister van Asiel en Migratie [1] ,verweerder.
(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. Bij besluit van 17 maart 2025 heeft verweerder de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Opposant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van
17 april 2025 [2] (de bestreden uitspraak) buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard.
1.2
Opposant heeft op 25 april 2025 tegen de bestreden uitspraak verzet ingediend en om een voorlopige voorziening verzocht.
1.4
Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden 22 mei 2025. Hieraan heeft de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Opposant heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Hij heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is.
Wat heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak geoordeeld?
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Zij heeft in het bestreden uitspraak – kort samengevat – geoordeeld dat verweerder niet gehouden was om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Opposant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Franse asiel- en opvangsysteem zodanige tekortkomingen kent dat overdracht aan Frankrijk een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [3] of artikel 4 van Pro het Handvest [4] met zich meebrengt. Ook heeft opposant niet onderbouwd dat klagen bij de Franse autoriteiten of andere instanties bij problemen onmogelijk of zinloos zou zijn. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder op zich op het standpunt mogen stellen dat hetgeen wat opposant heeft aangevoerd in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, geen zodanige bijzondere, individuele omstandigheden betreffen dat deze maken dat zijn overdracht aan Frankrijk een onevenredige hardheid getuigt.
Wat vindt opposant in verzet?
4. Opposant betoogt in verzet – kort samengevat – dat de rechtbank de uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn beroep kennelijk ongegrond is verklaard, zonder dat de zaak ter zitting is behandeld. In dit verband voert opposant aan dat hij, mede gelet op zijn persoonlijke ervaringen, bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het ERVM en artikel 4 van Pro het Handvest. Opposant geeft aan dat hij zich niet kan wenden tot de autoriteiten omdat dit gevaarlijk is, dat hij vreest dat de bedreigingen dan zullen verergeren of dat er vergeldingsmaatregelen zullen volgen. Het beroep van opposant is op onjuiste gronden kennelijk ongegrond verklaard. Kort voor de mondelinge behandeling in verzet, heeft opposant in zijn aanvullende gronden toegelicht dat hij inmiddels over aanvullende informatie over zijn psychische en medische gesteldheid beschikt. Opposant ervaart door de bedreigingen onder meer stress, slaapproblemen en heeft suïcidale gedachten. Vanwege deze klachten staat hij onder medische behandeling en het is hem pas nu gelukt om een afschrift te krijgen van zijn medische dossier. Hij ervaart al geruime tijd psychische klachten en deze klachten zijn structureel van aard en hebben aantoonbare impact op zijn dagelijks functioneren. Gelet op zijn psychische toestand en kwetsbare positie is hij afhankelijk van medische behandeling. Een overdracht aan Frankrijk zou hem opnieuw blootstellen aan de omstandigheden die zijn klachten hebben veroorzaakt. Dit brengt een reëel risico op ernstige verslechtering van zijn psychische gezondheid met zich mee, waaronder dreiging van suïcide. Onder deze omstandigheden zou overdracht naar Frankrijk medisch en menselijk onverantwoord zijn. Ter zitting heeft gemachtigde van opposant aangevoerd dat de minister aan het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) om een advies zou moeten vragen.
Wat is het toetsingskader bij verzet?
5. Bij verzet oordeelt de rechtbank uitsluitend of het beroep van opposant buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Als opposant met gegronde redenen kan onderbouwen dat het beroep niet zonder zitting afgedaan mocht worden bij de bestreden uitspraak, kan het verzet gegrond verklaard worden. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan wordt het verzet gegrond verklaard zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het verzet?6. In het verzetschrift van 25 april 2025 zijn geen gronden aangevoerd die meebrengen dat het oordeel van de rechtbank in de bestreden uitspraak – dat er over de uitkomst geen twijfel mogelijk is en er daarom geen zitting wordt gehouden – niet juist is. De rechtbank stelt vast dat wat opposant in dit verzetschrift aanvoert, gelijk is aan wat hij al in beroep heeft aangedragen. De rechtbank heeft al deze gronden beoordeeld. De argumenten van opposant in voornoemd verzetschrift geven geen aanleiding voor twijfel over de uitkomst.
Bij aanvullende gronden van verzet van 19 mei 2025 heeft opposant medische stukken overgelegd. Met deze stukken en met de toelichting hierop kon de rechtbank in de uitspraak van 17 april 2025 echter geen rekening houden. De rechtbank constateert verder dat er ten tijde van het bestreden besluit geen aanwijzingen waren dat opposant kampte met enige medische klachten. En ook in beroep zijn geen gronden aangevoerd die verband houden met de medische situatie van opposant. Dat opposant die grond nu alsnog opwerpt, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank het beroep van opposant buiten redelijke twijfel ongegrond heeft verklaard zonder het houden van een zitting.
7.
Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 17 april 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, ongegrond was en de zaak terecht zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is ongegrond.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande is het verzet van opposant ongegrond. Dat betekent dat de eerdere uitspraak van 17 april 2025 in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van
K. el Mahsini griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen de uitspraak op het verzet is geen hoger beroep mogelijk.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.NL25.12555 en NL25.12556
3.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie