Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:12678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
25-004840
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNAArt. 2 Wet DNAArt. 67 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar gegrond tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde voor diefstal

De veroordeelde, destijds 14 jaar oud, werd bij strafbeschikking veroordeeld tot een leerstraf van 35 uur wegens diefstal. Vervolgens werd een bevel tot afname van celmateriaal gegeven voor DNA-onderzoek. De veroordeelde maakte bezwaar op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat de maatregel disproportioneel was gezien zijn leeftijd en de geringe ernst van het feit.

De rechtbank behandelde het bezwaar in raadkamer en hoorde zowel de veroordeelde als de officier van justitie. De officier van justitie erkende dat het bevel juist was afgegeven, maar stelde dat een uitzonderingsgrond van toepassing was vanwege het pedagogische karakter van de veroordeling.

De rechtbank oordeelde dat het bevel tot DNA-afname slechts kan worden gegeven voor misdrijven als bedoeld in artikel 67 Sv Pro, wat hier het geval was. Echter, op grond van artikel 2 van Pro de Wet DNA kan DNA-onderzoek worden geweigerd als het niet van betekenis is voor opsporing en vervolging, bijvoorbeeld bij bijzondere omstandigheden.

Hoewel de Wet DNA geen onderscheid maakt tussen minderjarige en meerderjarige veroordeelden, kan de rechter de minderjarigheid betrekken bij de beoordeling van bijzondere omstandigheden. De rechtbank vond dat de combinatie van de geringe ernst van het misdrijf, het ontbreken van recidivegevaar, de stabiele thuissituatie en het pedagogische karakter van de leerstraf een uitzondering rechtvaardigde.

Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en werd het DNA-profiel niet verwerkt.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname en verwerking is gegrond verklaard vanwege disproportionaliteit en bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09/326325-24
Raadkamernummer: 25-004840
Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ( [land] ),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.T.C. Castermans, advocaat, te
Bordewijklaan 50, 2591 XR Den Haag,
(hierna: de veroordeelde).

Inleiding

Bij strafbeschikking van 10 december 2024 is de veroordeelde door het Openbaar Ministerie veroordeeld ter zake van diefstal tot een leerstraf van 35 uur. Bij beslissing van 31 december 2024 heeft de officier van justitie de afname van celmateriaal bevolen ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Deze afname heeft plaatsgevonden op 4 februari 2025. De veroordeelde heeft op 18 februari 2024 het bezwaar ex artikel 7 van Pro de Wet DNA ingediend bij de griffie van deze rechtbank.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft dit bezwaar op 13 mei 2025 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De veroordeelde, bijgestaan door mr. A.T.C. Castermans, is in raadkamer gehoord. Ook is de officier van justitie, mr. R. Brugman, gehoord.

Het bezwaar

De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Ter onderbouwing van het bezwaar is aangevoerd dat aan de veroordeelde een beroep toekomt op de uitzonderingsgronden zoals bedoeld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. De klager meent dat er sprake is van een disproportionele maatregel. Het DNA van de klager moet daarom niet opgeslagen, maar vernietigd worden (vergelijk ECLI:NL:RBAMS:2018:9603). Een relevante factor in dit verband is allereerst dat de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Er is daarnaast geen reden om aan te nemen dat de klager in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen waarbij DNA-onderzoek nodig zou zijn voor de opsporing. De klager was op het moment van het feit pas 14 jaar oud, was nog nooit met justitie in aanraking gekomen en het gepleegde misdrijf moet daarom als een jeugdzonde worden gezien. Bovendien heeft de veroordeelde slechts een leerstraf opgelegd gekregen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het DNA op de juiste wijze is afgenomen, maar dat zich een uitzonderingsgrond voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. De veroordeelde heeft een fatbike gestolen terwijl hij slechts 14 jaar oud was en heeft hier een geringe leerstraf voor gekregen. Dit duidt op een veroordeling met een pedagogisch karakter. Het bezwaar dient gegrond te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
Artikel 2 van Pro de Wet DNA bepaalt dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Het is vaste jurisprudentie dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de genoemde uitzonderingsgronden, die beperkt moeten worden uitgelegd.
Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat op basis van de Wet DNA bij de belangenafweging geen onderscheid tussen meerderjarige en minderjarige veroordeelden kan worden gemaakt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijk generieke uitzondering ook niet aan het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) kan worden ontleend. Wel kan de rechter de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was, betrekken in zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde in dit geval een beroep toekomt op één van de genoemde uitzonderingsgronden. Zij betrekt daarbij dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het misdrijf minderjarig was, dat het gaat om een misdrijf van een relatief geringe ernst en dat het recidivegevaar klein lijkt te zijn. Dit laatste leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat de veroordeelde niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld en er ook geen aanwijzingen bestaan voor nadien door hem gepleegde misdrijven. Daarnaast is de veroordeelde begonnen met zijn leerstraf, zit hij op de middelbare school, heeft hij een stabiele thuissituatie en een bijbaantje. Het strafbare feit kan gezien de bijzondere omstandigheden waaronder dit misdrijf is gepleegd, beoordeeld worden als jeugdzonde.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. N.F.R. de Rooij, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 mei 2025.