ECLI:NL:RBDHA:2025:12678
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar gegrond tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde voor diefstal
De veroordeelde, destijds 14 jaar oud, werd bij strafbeschikking veroordeeld tot een leerstraf van 35 uur wegens diefstal. Vervolgens werd een bevel tot afname van celmateriaal gegeven voor DNA-onderzoek. De veroordeelde maakte bezwaar op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat de maatregel disproportioneel was gezien zijn leeftijd en de geringe ernst van het feit.
De rechtbank behandelde het bezwaar in raadkamer en hoorde zowel de veroordeelde als de officier van justitie. De officier van justitie erkende dat het bevel juist was afgegeven, maar stelde dat een uitzonderingsgrond van toepassing was vanwege het pedagogische karakter van de veroordeling.
De rechtbank oordeelde dat het bevel tot DNA-afname slechts kan worden gegeven voor misdrijven als bedoeld in artikel 67 Sv Pro, wat hier het geval was. Echter, op grond van artikel 2 van Pro de Wet DNA kan DNA-onderzoek worden geweigerd als het niet van betekenis is voor opsporing en vervolging, bijvoorbeeld bij bijzondere omstandigheden.
Hoewel de Wet DNA geen onderscheid maakt tussen minderjarige en meerderjarige veroordeelden, kan de rechter de minderjarigheid betrekken bij de beoordeling van bijzondere omstandigheden. De rechtbank vond dat de combinatie van de geringe ernst van het misdrijf, het ontbreken van recidivegevaar, de stabiele thuissituatie en het pedagogische karakter van de leerstraf een uitzondering rechtvaardigde.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en werd het DNA-profiel niet verwerkt.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname en verwerking is gegrond verklaard vanwege disproportionaliteit en bijzondere omstandigheden.