ECLI:NL:RBDHA:2025:1268
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Hanssen - Telman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende documenten
Eiser, een Algerijnse nationaliteit, diende op 24 oktober 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 29 november 2024 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende geloofwaardige identiteitspapieren had overgelegd en wisselende verklaringen gaf over zijn identiteit.
De rechtbank behandelde het beroep op 28 januari 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht niet is ingegaan op het verzoek om verlengde asielprocedure en dat de minister de identiteit van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht op grond van artikel 31, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser voerde aan dat zijn verblijf buiten Algerije (verwestering) als asielmotief moest worden meegewogen, maar de rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd. Ook het argument dat aliassen in Zwitserland het gevolg zouden zijn van verschrijvingen werd verworpen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.