ECLI:NL:RBDHA:2025:1268

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2025
Publicatiedatum
4 februari 2025
Zaaknummer
NL24.48415
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende documenten

Eiser, een Algerijnse nationaliteit, diende op 24 oktober 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 29 november 2024 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende geloofwaardige identiteitspapieren had overgelegd en wisselende verklaringen gaf over zijn identiteit.

De rechtbank behandelde het beroep op 28 januari 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht niet is ingegaan op het verzoek om verlengde asielprocedure en dat de minister de identiteit van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht op grond van artikel 31, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser voerde aan dat zijn verblijf buiten Algerije (verwestering) als asielmotief moest worden meegewogen, maar de rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd. Ook het argument dat aliassen in Zwitserland het gevolg zouden zijn van verschrijvingen werd verworpen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48415

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [datum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Verzijden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij heeft op 24 oktober 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, [1] op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister is ter zitting verschenen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser aan de hand van zijn beroepsgronden.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is uit Algerije gevlucht en naar Nederland gekomen vanwege economische redenen. Daarnaast heeft eiser verklaart dat hij een probleem heeft met een persoon, maar hij wil hier verder niets over verklaren. Terugkeren is volgens eiser geen optie, omdat hij dan twee jaar van zijn leven heeft verspild voor niets.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende relevante asielmotief:
1. nationaliteit, identiteit en herkomst;
De minister acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De gestelde identiteit gelooft de minister echter niet. Eiser heeft geen originele officiële documenten overgelegd om zijn identiteit aan te tonen. De minister heeft daarom op basis van artikel 31, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister voldoet eiser echter niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c, en e van de Vw. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en daarvoor geen goede verklaring gegeven (voorwaarde b). Eiser heeft daarbij wisselend verklaard over zijn identiteit, omdat eiser in Zwitserland andere persoonsgegevens heeft opgegeven (voorwaarde c). Op basis van de door eiser gehanteerde aliassen en het daarmee doelbewust verstrekken van onjuiste informatie zijn eisers verklaringen niet in grote lijnen geloofwaardig te achten (voorwaarde e).
Verzoek verlengde asielprocedure
6. Eiser voert in de eerste plaats aan dat de minister ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek om de aanvraag in de verlengde asielprocedure te behandelen. De minister heeft onzorgvuldig gehandeld, nu eiser niet de gelegenheid heeft gehad om het nader gehoor alsnog te kunnen nabespreken met zijn advocaat.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit uitvoerig gemotiveerd waarom niet is ingegaan op het verzoek om de aanvraag in de verlengde asielprocedure te behandelen. Uit de rapportage van het aanmeldgehoor blijkt dat de uitnodigingsbrief aan eiser in persoon is overhandigd. De minister heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat het voor eigen rekening en risico komt wanneer hij zijn uitnodiging kwijtraakt en er is daarmee geen verschoonbare reden gegeven voor het niet verschijnen op zijn afspraak met zijn gemachtigde. Bovendien is tijdens het nader gehoor (nogmaals) gewezen op de afspraak met zijn advocaat om het rapport van het nader gehoor te bespreken en eventueel correcties en aanvullingen in te dienen. Dat eiser voor deze afspraak niet is verschenen dan ook voor zijn eigen rekening en risico.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat het rapport van het nader gehoor, in overleg met de gemachtigde van eiser, tegelijk met het voornemen is bekendgemaakt met de mogelijkheid om tegelijkertijd met de zienswijze eventuele correcties en aanvullingen in te dienen. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank volgt dan ook niet het standpunt dat er sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming op dit punt.
Vaststelling asielmotief
7. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van verwestering en dat de minister ten onrechte de verwestering niet als asielmotief heeft beoordeeld. Eiser heeft immers tijdens gehoor verklaard al twee jaar buiten Algerije te verblijven en om die reden niet terug te kunnen.
7.1.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een beroep doet op verwestering. [2]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de in de zienswijze benoemde verwestering van eiser niet als relevant asielmotief heeft hoeven aanmerken. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat er sprake is van verwestering of aanknopingspunten te vinden dat eiser verwestering aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Het is aan eiser om zijn asielmotieven kenbaar te maken. Alleen het feit dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij al twee jaar buiten Algerije verblijft, is onvoldoende. Verder ziet de door eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 december 2023 op een andere situatie. In die zaak is tijdens de gehoren immers kenbaar verklaart over het ontbrekende asielmotief. In eisers geval ontbreekt deze verklaringen tijdens zijn gehoor. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser de gemachtigde niet heeft gesproken alvorens de zienswijze werd ingediend, zodat eiser dit asielmotief ook niet tijdens de bespreking kenbaar kan hebben gemaakt aan zijn gemachtigde. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid identiteit
8. Eiser heeft geen identiteitsdocumenten overgelegd. De minister heeft dan ook op goede gronden het asielmotief van eiser afgezet tegen artikel 31, zesde lid van de Vw. Eiser heeft dit toetsingskader in zijn gronden van beroep ook niet betwist. De rechtbank zal hieronder ingaan op de vraag of de minister op grond van de in dit artikel genoemde voorwaarden heeft mogen oordelen dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is.
9. Eiser stelt dat zijn identiteit ten onrechte niet geloofwaardig is geacht. Eiser heeft weliswaar geen documenten overgelegd, maar verricht wel de nodige inspanning om documenten te verkrijgen. Dat in Zwitserland verschillende aliassen zijn geregisterd, is volgens eiser een kennelijke verschrijving en niet zozeer dat hij verschillende namen heeft gebruikt. De minister heeft dit ten onrechte niet als verschoonbaar geacht.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers identiteit ongeloofwaardig mogen achten. In dat verband heeft de minister terecht vastgesteld dat eiser geen documenten heeft ingediend die zijn gestelde identiteit kunnen onderbouwen. De minister heeft ook niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen verschoonbare reden heeft gegeven voor het niet overleggen van deze documenten. Eiser heeft tijdens de verschillende gehoren verklaard dat hij wel beschikt over deze documenten in Algerije en dat zijn familie deze zou kunnen opsturen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij pogingen heeft ondernomen om documenten naar Nederland te laten sturen of stappen heeft ondernomen om aan documenten te komen. Van enige inspanning zoals door eiser is gesteld, is niet gebleken.
9.2.
Ook eisers verklaring waarom hij in Zwitserland onder aliassen bekend staat, dat het gaat om verschrijvingen in de naam, verklaart niet waarom eiser in Zwitserland onder een compleet andere naam bekend staat. Op basis van de gegevens van Eurodac heeft de minister vastgesteld dat eiser, voor wat betreft zijn naam, bij de Zwitserse autoriteiten onder de namen [naam 1] en [naam 2] geregistreerd staat. In Nederland heeft eiser verklaard [naam] te heten. De stelling dat in Zwitserland sprake zou zijn van een verschrijving verklaart niet waarom eiser in Nederland een totaal andere naam heeft opgegeven.
9.3.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de identiteit van eiser ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra - Verbeek, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL24.48416
2.Rapport nader gehoor van 25 november 2024, p. 7.