Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de Minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
opgeroepenvoor de alternatieve militaire dienst, maar dat eiser het verschuldigde bedrag (180 rekeneenheden, omgerekend ongeveer € 193,-) (nog) niet heeft betaald. Dit verdraagt zich dus niet met de stelling ter zitting dat de alternatieve dienstplicht nog niet aan eiser zou zijn toegekend. Deze stelling roept ook overigens vragen op ten aanzien van andere door eiser overgelegde documenten, zoals bijvoorbeeld de beslissing inzake strafvervolging van 14 november 2022. Hierin staat immers evenzo vermeld dat, nu sprake is van een betalingsweigering door eiser van zijn alternatieve dienst, het mogelijk is om strafvervolging in te stellen. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank het er daarom voor dat voor eiser de alternatieve dienstplicht gold.
2023 Country Report on Human Rights Practices), maar hieruit blijkt geen verband met het ontduiken van de dienstplicht. Verweerder heeft daarom terecht op individueel niveau gekeken of dit risico voor eiser bestaat. Verweerder heeft erop gewezen dat uit het Wetboek van Strafrecht van Kirgizië blijkt dat op het ontduiken van de alternatieve dienstplicht een straf staat van 100 tot 200 minimum rekeneenheden (€ 105,- tot € 210,-) of een taakstraf van 180 tot 240 uur. Dit kan worden gezien als een evenredige bestraffing. De informatie uit het opsporingsbevel duidt ook niet op een andersoortige bestraffing. Verweerder heeft verder geen doorslaggevende waarde hoeven hechten aan de verklaring van de gestelde advocaat uit Kirgizië, waarin staat dat eiser bij terugkeer naar Kirgizië in detentie zal worden geplaatst. De wet noemt immers detentie niet als mogelijke bestraffing en eiser heeft verder geen documenten verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat hij, ondanks dat de wet dit niet als bestraffing noemt, bij terugkeer naar Kirgizië in detentie zal worden geplaatst. Gelet hierop stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging vanwege het ontduiken van de dienstplicht.
2023 Country Report on Human Rights Practices, dat er sprake is van spanningen en discriminatie jegens de Oezbeekse minderheid. Verweerder stelt zich echter terecht op het standpunt dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij, vanwege zijn etnische achtergrond, in Kirgizië zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Weliswaar heeft eiser verklaard dat hij is uitgescholden en mishandeld, maar eiser heeft ook verklaard dat hij in Kirgizië heeft kunnen werken (pagina 18 NG), naar school en college is geweest (pagina 16 NG) en toegang had tot medische zorg. Hieruit volgt dat eiser in Kirgizië, ondanks de moeilijkheden en beperkingen die hij heeft ondervonden vanwege zijn etniciteit, wel in voldoende mate, althans niet slechts op marginale wijze, op maatschappelijk en sociaal gebied heeft kunnen functioneren. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Kirgizië niet op eenzelfde manier kan functioneren als voor zijn vertrek uit Kirgizië.