ECLI:NL:RBDHA:2025:12784

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2025
Publicatiedatum
16 juli 2025
Zaaknummer
NL25.22787
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering inreisverbod bij terugkeerbesluit

Eiser kreeg op 23 april 2025 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 10 juli 2025 was eiser vertegenwoordigd, verweerder was verhinderd.

Eiser voerde aan dat hij bijzondere individuele omstandigheden heeft, omdat hij vijf jaar in Spanje heeft gewoond en gewerkt en daar staat ingeschreven. Het inreisverbod belemmert hem zijn leven en inkomen in Spanje voort te zetten. De rechtbank constateerde dat de minister dit belang onvoldoende heeft meegewogen, wat een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek oplevert volgens de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank oordeelde dat de motivering van het inreisverbod niet deugdelijk is, omdat het besluit slechts vermeldt dat het belang van eiser is gewogen, zonder te verklaren waarom dit niet leidde tot het achterwege laten van het inreisverbod. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het inreisverbod vernietigd en de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.814,-.

Uitkomst: Het inreisverbod in het terugkeerbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22787

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van een bewaringsmaatregel op 11 maart 2025 namelijk verklaard dat hij zeker vijf jaar in Spanje heeft gewoond en gewerkt en dat hij daar ook staat ingeschreven. Het inreisverbod hindert eiser om zijn leven in Spanje weer op te pakken en in zijn levensonderhoud te voorzien. Verweerder heeft dit niet kenbaar betrokken bij de belangenafweging om al dan niet een inreisverbod op te leggen. Dit maakt dat sprake is van een motiveringsgebrek in de zin artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zorgvuldigheidsgebrek in de zin van artikel 3:2 van Pro de Awb.
2. Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit is eiser gehoord over verweerders voornemen om een inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen. Tijdens dit gehoor is ook gesproken over wat eiser eerder heeft verklaard tijdens een gehoor dat op 11 maart 2025 heeft plaatsgevonden voorafgaand aan eisers inbewaringstelling. Eiser heeft aangegeven bij zijn eerdere verklaringen te blijven. Uit het proces-verbaal van het gehoor van 23 april 2025 volgt dat eiser heeft verklaard over zijn jarenlange verblijf in Spanje. Gevraagd naar redenen om af te zien van het opleggen van een inreisverbod heeft eiser verklaard graag naar Spanje terug te willen gaan. Op een later moment tijdens het gehoor heeft eiser verklaard een leven te willen opbouwen in Spanje. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder het kopje ‘Zienswijze’ vermeld dat eiser heeft aangevoerd dat hij in Spanje wil blijven om een bestaan op te bouwen en vervolgens overwogen dat dit is gewogen maar niet heeft geleid tot het achterwege laten van het inreisverbod. Naar het oordeel van de rechtbank is het inreisverbod hiermee niet deugdelijk gemotiveerd. Uit de motivering van het besluit blijkt immers niet
waaromin eisers verklaring geen aanleiding is gezien om af te zien van het opleggen van het inreisverbod. Het enkel benoemen dat het door eiser naar voren gebrachte belang is gewogen, is onvoldoende. Het inreisverbod kent daarom een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op het inreisverbod, wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het inreisverbod;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.