Eiser kreeg op 23 april 2025 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 10 juli 2025 was eiser vertegenwoordigd, verweerder was verhinderd.
Eiser voerde aan dat hij bijzondere individuele omstandigheden heeft, omdat hij vijf jaar in Spanje heeft gewoond en gewerkt en daar staat ingeschreven. Het inreisverbod belemmert hem zijn leven en inkomen in Spanje voort te zetten. De rechtbank constateerde dat de minister dit belang onvoldoende heeft meegewogen, wat een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek oplevert volgens de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank oordeelde dat de motivering van het inreisverbod niet deugdelijk is, omdat het besluit slechts vermeldt dat het belang van eiser is gewogen, zonder te verklaren waarom dit niet leidde tot het achterwege laten van het inreisverbod. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het inreisverbod vernietigd en de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.814,-.