4.4.1Zijn de passages in strijd met de feitelijke toedracht?
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van meineed moet allereerst worden vastgesteld wat de feitelijke toedracht is waarover de verdachte heeft verklaard. Als die feitelijke toedracht is vastgesteld, dient te worden getoetst of de tenlastegelegde passages uit het proces-verbaal onjuist zijn.
-
Het eerste gedachtestreepje
De eerste passage uit het proces-verbaal waar de verdachte van wordt verweten dat deze onjuist is, betreft: “
Ik, verbalisant [verdachte] , pakte [naam 1] beet en trachtte hem te fouilleren. Ik, verbalisant [verdachte] , bemerkte dat [naam 1] erg krachtig was en zich uit mijn greep losrukte.”.
De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij met de zinsnede “
trachtte hem te fouilleren” doelt op de omstandigheid dat hij [naam 1] had uitgelegd dat hij hem wilde fouilleren en dat [naam 1] verplicht was om daaraan mee te werken. Hoewel de verdachte de intentie had om [naam 1] te fouilleren, was dit volgens zijn verklaring onmogelijk doordat [naam 1] bleef weglopen. De verdachte heeft verklaard dat [naam 1] zich op verschillende momenten verzette tegen de fouillering en zijn aanhouding. Dit zou volgens de verdachte zijn begonnen bij het eerste fysieke contact en pas zijn gestopt op het moment dat [naam 1] was geboeid.
Uit het procesdossier volgt dat op de camerabeelden zichtbaar is dat de verdachte zijn telefoon uit zijn broekzak pakt en spreekt tegen [naam 1] op het moment dat hij de garage betreedt. De verdachte toont vervolgens het scherm van zijn telefoon aan [naam 1] . Te horen is dat het gaat om een bevel van de officier van justitie – de rechtbank begrijpt: het bevel tot preventief fouilleren – dat [naam 1] wil zien. Hierna loopt [naam 1] verder de garage in en de verdachte pakt zijn handboeien. Nadat [naam 1] naar achteren begint te lopen, pakt de verdachte de mitella van [naam 1] vast en trekt daaraan. De verdachte legt zijn linkerhand in de nek en trekt [naam 1] naar voren. Hierna probeert de verdachte, terwijl hij [naam 1] bij zijn rechterbovenarm vasthoudt, de handboeien aan te leggen. [naam 1] verzet zich hiertegen, zwaait zijn rechterarm weg en loopt achteruit. De verdachte geeft [naam 1] een duwtje richting de uitgang van de garage en laat hem vervolgens los waarna [naam 1] zelfstandig richting de uitgang loopt.
De rechtbank overweegt dat de toelichting van de verdachte over de zinsnede “
trachtte hem te fouilleren”, aansluit bij hetgeen zichtbaar en hoorbaar is op de camerabeelden, te weten dat de verdachte van plan was om [naam 1] preventief te fouilleren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de verdachte gekozen bewoording in het proces-verbaal op dit punt niet onbegrijpelijk en evenmin onjuist is.
Ten aanzien van de zinsnede “
bemerkte dat [naam 1] erg krachtig was en zich uit mijn greep losrukte” stelt de rechtbank op grond van haar waarneming van de camerabeelden vast dat daarop zichtbaar is dat de verdachte met zijn linkerhand de rechter bovenarm van [naam 1] vasthoudt, alsook dat [naam 1] zich meerdere keren daaraan probeert te onttrekken door zijn rechterarm naar links te zwaaien. Uit het procesdossier volgt dat de verhoorders van het VIK, evenals de verdachte, bij het omschrijven van deze gedragingen van [naam 1] de term ‘losrukken’ gebruiken. Deze woordkeuze van de verdachte in het proces-verbaal acht de rechtbank eveneens niet onbegrijpelijk. De vorengenoemde waarnemingen op de camerabeelden sluiten bovendien aan bij deze passage van het proces-verbaal voor wat betreft het verloop van tijd van de gebeurtenissen op 19 juni 2020, zoals zichtbaar op de beelden en navolgbaar in het proces-verbaal van de Rijksrecherche. Gelet op het hiervoor genoemde is de passage zoals genoemd in het eerste gedachte streepje dan ook niet zonder meer in strijd met de feitelijke toedracht en kan daarom niet als onjuist worden bestempeld.
-
Het tweede gedachtestreepje
De tweede passage uit het proces-verbaal waarvan de verdachte wordt verweten dat deze onjuist is, betreft: “
Ik, verbalisant [verdachte] , merkte dat [naam 1] mij beetpakte. Ik, verbalisant [verdachte] , voelde dat [naam 1] mijn beide armen beet hield met grote kracht. Op dat moment hadden wij elkaar beet en stonden met onze gezichten naar elkaar toe. Ik, verbalisant [verdachte] ,
merkte dat [naam 1] mij krachtig beet had en mij niet los liet.”. Op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij de volle overtuiging had dat hij en [naam 1] elkaar beet hadden, maar hij gezien heeft dat dit niet in overeenstemming is met de camerabeelden.
Uit het procesdossier volgt dat op de camerabeelden te zien is dat de verdachte met beide handen de linker onderarm/-pols van [naam 1] vasthoudt en deze voor zijn buik naar links duwt. De rechterarm van [naam 1] is uit de mitella en [naam 1] wijst met zijn rechterhand naar de verdachte. [naam 1] hield de beide armen van de verdachte, in tegenstelling tot hetgeen door de verdachte is opgeschreven in het proces-verbaal,
nietmet twee handen krachtig beet. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van bevindingen in zoverre onjuist is.
-
Het derde gedachtestreepje
Tot slot wordt de verdachte verweten dat de volgende passage uit het proces-verbaal onjuist is: “
Ik, verbalisant [verdachte] , voelde dat de greep van [naam 1] erg krachtig was en ik kon mijzelf er niet uit losrukken. Ik, verbalisant [verdachte] , voelde dat [naam 1] mij zodanig beet hield dat ik bang was dat [naam 1] mij letsel zou toebrengen.”. Hiervoor is reeds door de rechtbank overwogen dat op de camerabeelden niet zichtbaar is dat [naam 1] de verdachte met twee handen krachtig beethoudt. In het verlengde hiervan ligt de vaststelling dat het niet mogelijk is dat [naam 1] de verdachte dusdanig beethield dat de verdachte zich er niet uit kon losrukken dan wel dat [naam 1] de verdachte op dat moment letsel zou (kunnen) toebrengen. Gelet op het vorengenoemde stelt de rechtbank vast dat het proces-verbaal van bevindingen, voor wat betreft de passage onder het derde gedachte streepje, onjuist is.
4.4.2Heeft de verdachte opzet gehad op het afleggen van een onjuiste verklaring?
Het enkele feit dat de verdachte twee passages onjuist heeft opgesteld betekent niet direct dat sprake is van meineed. Hiertoe is vereist dat de verdachte ten tijde van het opstellen van het proces-verbaal opzet had op het afleggen van een onjuiste verklaring.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een motief had om valselijk te verbaliseren, te weten het creëren van een aanleiding van de door hem aan [naam 1] gegeven kopstoot om daarmee dit geweldsmiddel te verantwoorden. De verdachte is wellicht tot het besef gekomen dat hij met het geven van de kopstoot over de schreef was gegaan en de verdachte daardoor bewust een andere voorstelling van zaken heeft willen geven.
De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij het proces-verbaal naar eer en geweten heeft opgesteld en dat hij hierin heeft vermeld wat in zijn beleving heeft plaatsgevonden bij de aanhouding van [naam 1] op 19 juni 2020. Deze onjuiste beleving alsook zijn onjuiste herinnering zou volgens de verdediging door verschillende factoren tot stand zijn gekomen, waaronder de agressieve sfeer tijdens en voorafgaand aan de aanhouding van [naam 1] , angst- en dreigingsgevoelens, de aanwezigheid van onervaren collega’s waardoor het aan de verdachte was om actief op te treden, het verantwoordelijkheidsgevoel van de verdachte ten aanzien van deze collega’s en eerdere negatieve ervaringen van aanhoudingen waarbij geweld tegen de verdachte is toegepast.
De rechtbank overweegt dat het opvallend is dat de onjuist geverbaliseerde passages net zouden hebben plaatsgevonden voordat de verdachte [naam 1] de kopstoot geeft. Dat dit een vermoeden opwekt dat de verdachte hiermee zijn geweldshandeling heeft willen verantwoorden, is dan ook voorstelbaar. Maar uit dit enkele gegeven kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte met opzet een onjuiste verklaring heeft opgeschreven.
Daarbij komt dat uit het dossier contra-indicaties naar voren komen dat de verdachte met opzet deze passages onjuist heeft opgemaakt. Zo heeft de verdachte na het bekendraken met de videobeelden een e-mailbericht gestuurd aan zijn leidinggevende waarin hij erkent dat het proces-verbaal op onderdelen niet overeenkomt met de beelden en waarin de verdachte omschrijft hoe de situatie naar zijn beleving en herinnering is verlopen. De verdachte heeft naar aanleiding van het contact met zijn leidinggevende contact opgenomen met de districtsrecherche over deze verschillen. Later heeft hij een verklaring over 19 juni 2020 afgelegd bij de VIK, de Rijksrecherche en op de terechtzitting. Uit al deze verklaringen volgt dat de verdachte steeds een consistente verklaring aflegt over hoe hij de situatie in en rondom de autogarage heeft beleefd
.Dat de verdachte geen aanvullend proces-verbaal heeft opgesteld, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk. De verdachte heeft uit eigen beweging aangeboden een aanvullend proces-verbaal op te stellen, maar hem is door de recherche medegedeeld dat dit niet nodig was.
Daarnaast vinden het door de verdachte ervaren verantwoordelijkheidsgevoel en de dreigende sfeer in en rondom de autogarage ondersteuning in het dossier. Zo volgt uit de camerabeelden dat de verdachte het voortouw nam bij de aanhouding van [naam 1] alsook bij een tweede aanhouding. De verbalisanten Kats, Jordan en Verstraate bevestigen de agressieve en dreigende sfeer in hun verklaringen en Kats en Jordan hebben bovendien verklaard dat ook zij dachten dat [naam 1] de verdachte vasthield.
Voorts slaat de rechtbank acht op het deskundigenrapport van de rechtspsychologen dr. T.S. van Veldhuizen en prof. dr. R. Horselenberg op 14 april 2025 een rapport uitgebracht. Op verzoek van de verdediging hebben zij de vraag beantwoord of de inconsistenties tussen het proces-verbaal van bevindingen en de camerabeelden duiden op het opzettelijk afleggen van een onjuiste verklaring of dat deze inconsistenties ook door waarnemings- en geheugenfouten kunnen worden verklaard en de verdachte de bewuste zinnen ter goeder trouw kan hebben opgenomen in het proces-verbaal.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het rapport niet is opgesteld door deskundigen die als zodanig door de rechter-commissaris zijn benoemd en niet kan worden gesteld dat sprake is van een deskundigenrapport. De rechtbank verwerpt dit standpunt gelet op de uitgebreide toelichting over de deskundigheid van dr. Van Veldhuizen en prof. dr. Horselenberg in het rapport. Hieruit volgt dat prof. dr. Horselenberg lid is van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen en dr. Van Veldhuizen zich in het traject bevindt om hiervan lid te worden. Verder acht de rechtbank van belang dat de rapportage een uitgebreid overzicht bevat van de stukken die de deskundigen hebben ontvangen, de literatuur waarop zij hun deskundigenoordeel hebben gebaseerd en een beschrijving van de door hen gebruikte werkwijze. Ook acht de rechtbank het relevant dat de officier van justitie al enige tijd de beschikking had over het deskundigenrapport maar geen tegenonderzoek heeft laten verrichten, terwijl dit bij twijfels over de resultaten van het onderzoek wel voor de hand had gelegen.
Vanuit de rechtspsychologie bevestigen dr. Van Veldhuizen en prof. dr. Horselenberg dat de onjuistheden in het proces-verbaal ook door normale geheugenprocessen kunnen worden verklaard. De deskundigen beschrijven dat politieagenten net zo vatbaar zijn voor geheugenfouten als burgers en dat net als bij alle andere mensen, de waarneming en herinneringen van agenten wordt beïnvloed door allerlei schattingsvariabelen zoals verwachtingseffecten, stress en sociale beïnvloeding. De verdachte voelde zich naar eigen zeggen bedreigd tijdens het incident, wat volgens de deskundigen mogelijk werd uitvergroot door de context waarbinnen de fouilleeractie plaatsvond. Hij voelde zich verantwoordelijk voor jongere collega’s, moest zijn aandacht verdelen en heeft met anderen over het incident gepraat. Een mogelijke reden voor de foutieve weergave van [naam 1] gedrag in het proces-verbaal van de verdachte is blijkens het rapport dat hij zijn herinnering heeft opgevuld op basis van eerdere ervaringen met aanhoudingen die escaleerden of op basis van de logische en voor hem gunstige aanname dat hij handelde zoals hij deed, omdat [naam 1] in zijn beleving controle over zijn armen had (self-serving bias). Deze processen zijn volgens de deskundigen geen bewuste processen en vallen onder geheugenfouten. Concluderend stellen de deskundigen dat zij in het dossier meer steun zien voor het scenario dat fouten in het proces-verbaal van de verdachte het gevolg waren van een geheugenfout dan voor het scenario dat die fouten het gevolg waren van een leugen. Vanuit de rechtspsychologie bevestigen zij dat de fouten in het proces-verbaal ook te goeder trouw kunnen zijn gemaakt. Rechtspsychologisch onderzoek laat zien dat herinneringen aan (emotionele) gebeurtenissen heel levendig en gedetailleerd kunnen zijn, zelfs als zij onjuist blijken. Daarmee geeft de rechtspsychologie geen steun voor de conclusie dat de verdachte bewust onjuist in zijn proces-verbaal heeft geverbaliseerd, aldus de deskundigen.
De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat rekening moet worden gehouden met factoren die voorafgaand en tijdens de aanhouding van [naam 1] speelden die de waarneming en herinnering van de verdachte kunnen hebben beïnvloed. Ook eerdere ervaringen van de verdachte met aanhoudingen waarbij geweld tegen hem is toegepast kunnen hierbij een rol hebben gespeeld.
Er zijn onvoldoende concrete aanwijzingen dat de verdachte willens en wetens onjuist heeft verklaard in zijn proces-verbaal, zodat ten aanzien van het tweede en derde gedachtestreepje het opzet hierop ten tijde van het opstellen van het proces-verbaal niet – ook niet in voorwaardelijke zin – wettig en overtuigend kan worden bewezen.
4.4.3Conclusie van de rechtbank over het ten laste gelegde
Nu ten aanzien van de ten laste gelegde passage onder het eerste gedachtestreepje niet kan worden vastgesteld dat deze onjuist is en ten aanzien van de andere twee ten laste gelegde passages het opzet op het onjuist verbaliseren niet kan worden bewezen, dient de verdachte naar het oordeel van de rechtbank te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. G.A. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A. Copier, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2025.