Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
- “Ik, verbalisant [verdachte] , pakte [naam 1] beet en trachtte hem te fouilleren. Ik, verbalisant [verdachte] , bemerkte dat [naam 1] erg krachtig was en zich uit mijn greep losrukte.”
- “Ik, verbalisant [verdachte] , merkte dat [naam 1] mij beetpakte. Ik, verbalisant [verdachte] , voelde dat [naam 1] mijn beide armen beet hield met grote kracht. Op dat moment hadden wij elkaar beet en stonden met onze gezichten naar elkaar toe. Ik, verbalisant [verdachte] , merkte dat [naam 1] mij krachtig beet had en mij niet los liet.”
- “Ik, verbalisant [verdachte] , voelde dat de greep van [naam 1] erg krachtig was en ik kon mijzelf er niet uit losrukken. Ik, verbalisant [verdachte] , voelde dat [naam 1] mij zodanig beet hield dat ik bang was dat [naam 1] mij letsel zou toebrengen.”, terwijl voornoemde verklaring werd afgelegd in de strafzaak met proces-verbaalnummer PL1700-2020193151 en parketnummer 10-161087-20 tegen en ten nadele van [naam 1] , die in voornoemde strafzaak beklaagde of verdachte was.
3.De voorvragen
nietzou worden vervolgd voor meineed. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De omstandigheid dat in het verhoor bij het VIK vragen zijn gesteld aan de verdachte die zagen op discrepanties tussen het door de verdachte opgemaakte proces-verbaal en de camerabeelden en het openbaar ministerie de verdachte voor mishandeling vervolgde, betekent niet dat daarmee door het openbaar ministerie bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij nóóit voor meineed zou worden vervolgd. De verklaring van de zaaksofficier van justitie bij de rechter-commissaris waarop de verdediging meermaals heeft gewezen, maakt dit niet anders. Hoewel deze verklaring inzicht geeft in wat heeft geleid tot de keuze om de verdachte te vervolgen voor mishandeling, kan niet worden vastgesteld dat de verdediging hier ten tijde van die vervolgingsbeslissing mee bekend was. Bovendien volgt uit de verklaring dat hoewel de zaaksofficier van justitie een sterke opinie heeft ten aanzien van de verdenking van meineed, hij zich niet kan herinneren dat na het verhoor intern dan wel extern is besproken of de verdachte ook op dat moment werd verdacht van meineed. Hij verklaart daarentegen zich slechts te hebben gefocust op de kopstoot en de vervolgingsbeslissing daaromtrent. Er was derhalve geen sprake van een beslissing van de officier van justitie om niet te vervolgen voor meineed en ook geen beslissing van het openbaar ministerie die kenbaar is geworden of gemaakt aan de verdachte.
the proceedings as a whole were not fair". Uit één en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat een schending van het door artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de artikel 6 EVRM Pro vervatte waarborg van een eerlijk proces.
4.De inhoudelijke beoordeling van de zaak
Het eerste gedachtestreepje
Ik, verbalisant [verdachte] , pakte [naam 1] beet en trachtte hem te fouilleren. Ik, verbalisant [verdachte] , bemerkte dat [naam 1] erg krachtig was en zich uit mijn greep losrukte.”.
trachtte hem te fouilleren” doelt op de omstandigheid dat hij [naam 1] had uitgelegd dat hij hem wilde fouilleren en dat [naam 1] verplicht was om daaraan mee te werken. Hoewel de verdachte de intentie had om [naam 1] te fouilleren, was dit volgens zijn verklaring onmogelijk doordat [naam 1] bleef weglopen. De verdachte heeft verklaard dat [naam 1] zich op verschillende momenten verzette tegen de fouillering en zijn aanhouding. Dit zou volgens de verdachte zijn begonnen bij het eerste fysieke contact en pas zijn gestopt op het moment dat [naam 1] was geboeid.
trachtte hem te fouilleren”, aansluit bij hetgeen zichtbaar en hoorbaar is op de camerabeelden, te weten dat de verdachte van plan was om [naam 1] preventief te fouilleren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de verdachte gekozen bewoording in het proces-verbaal op dit punt niet onbegrijpelijk en evenmin onjuist is.
bemerkte dat [naam 1] erg krachtig was en zich uit mijn greep losrukte” stelt de rechtbank op grond van haar waarneming van de camerabeelden vast dat daarop zichtbaar is dat de verdachte met zijn linkerhand de rechter bovenarm van [naam 1] vasthoudt, alsook dat [naam 1] zich meerdere keren daaraan probeert te onttrekken door zijn rechterarm naar links te zwaaien. Uit het procesdossier volgt dat de verhoorders van het VIK, evenals de verdachte, bij het omschrijven van deze gedragingen van [naam 1] de term ‘losrukken’ gebruiken. Deze woordkeuze van de verdachte in het proces-verbaal acht de rechtbank eveneens niet onbegrijpelijk. De vorengenoemde waarnemingen op de camerabeelden sluiten bovendien aan bij deze passage van het proces-verbaal voor wat betreft het verloop van tijd van de gebeurtenissen op 19 juni 2020, zoals zichtbaar op de beelden en navolgbaar in het proces-verbaal van de Rijksrecherche. Gelet op het hiervoor genoemde is de passage zoals genoemd in het eerste gedachte streepje dan ook niet zonder meer in strijd met de feitelijke toedracht en kan daarom niet als onjuist worden bestempeld.
Het tweede gedachtestreepje
Ik, verbalisant [verdachte] , merkte dat [naam 1] mij beetpakte. Ik, verbalisant [verdachte] , voelde dat [naam 1] mijn beide armen beet hield met grote kracht. Op dat moment hadden wij elkaar beet en stonden met onze gezichten naar elkaar toe. Ik, verbalisant [verdachte] ,
nietmet twee handen krachtig beet. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van bevindingen in zoverre onjuist is.
Het derde gedachtestreepje
Ik, verbalisant [verdachte] , voelde dat de greep van [naam 1] erg krachtig was en ik kon mijzelf er niet uit losrukken. Ik, verbalisant [verdachte] , voelde dat [naam 1] mij zodanig beet hield dat ik bang was dat [naam 1] mij letsel zou toebrengen.”. Hiervoor is reeds door de rechtbank overwogen dat op de camerabeelden niet zichtbaar is dat [naam 1] de verdachte met twee handen krachtig beethoudt. In het verlengde hiervan ligt de vaststelling dat het niet mogelijk is dat [naam 1] de verdachte dusdanig beethield dat de verdachte zich er niet uit kon losrukken dan wel dat [naam 1] de verdachte op dat moment letsel zou (kunnen) toebrengen. Gelet op het vorengenoemde stelt de rechtbank vast dat het proces-verbaal van bevindingen, voor wat betreft de passage onder het derde gedachte streepje, onjuist is.
.Dat de verdachte geen aanvullend proces-verbaal heeft opgesteld, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk. De verdachte heeft uit eigen beweging aangeboden een aanvullend proces-verbaal op te stellen, maar hem is door de recherche medegedeeld dat dit niet nodig was.