ECLI:NL:RBDHA:2025:12877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL25.25078
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 13 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser diende op 12 februari 2025 een asielaanvraag in Nederland in, maar verweerder nam deze niet in behandeling omdat Spanje verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Spanje had eerder het verzoek tot overdracht aanvaard.

Eiser voerde aan dat de opvang in Spanje ontoereikend is en dat overdracht een schending van fundamentele rechten zou betekenen, onder meer op grond van het AIDA-rapport 2023. De rechtbank oordeelde echter dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico is op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

De rechtbank verwees naar recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die bevestigen dat Spanje haar verplichtingen nakomt. Ook de eigen ervaring van eiser was onvoldoende om het vertrouwensbeginsel te doorbreken. De rechtbank zag geen aanleiding om aanvullende garanties te vragen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het besluit tot niet in behandeling nemen blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25078

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

[v-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Sahin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Imani).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening (NL25.25079), op 4 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser heeft verzocht om het beroep schriftelijk af te doen.

Overwegingen

2. Eiser heeft op 12 februari 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 26 juni 2024 zijn vingerafdruk heeft afgegeven in Spanje nadat hij illegaal Spanje was ingereisd. Op 5 maart 2025 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 21 maart 2025 heeft Spanje dit verzoek, op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening, aanvaard.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Spanje. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan dat er concrete aanwijzingen zijn dat Spanje haar internationale verplichtingen niet nakomt. Volgens eiser volgt uit het AIDA-rapport van 30 mei 2024 over Spanje (2023 Update) dat de opvang voor asielzoekers daar met structurele en systematische tekortkomingen kampt. Vanwege overvolle opvanglocaties verblijven veel asielzoekers noodgedwongen op straat. Volgens eiser zou een overdracht aan Spanje, gelet op de geschetste omstandigheden, dan ook leiden tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest. Van een overdracht aan Spanje dient dan ook te worden afgezien. Verweerder dient in ieder geval bij de Spaanse autoriteiten aanvullende garanties te verkrijgen met betrekking tot de indiening van het asielverzoek van eiser en diens opvang.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt hangt af van de gegevens in de zaak.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraak van 24 juni 2024 [1] waarin de hoogste bestuursrechter (de Afdeling) heeft geoordeeld dat er ten aanzien van Spanje nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling voor Spanje recent nog bevestigd in de uitspraak van 6 mei 2025. [2] De verwijzing naar het AIDA-rapport van 30 mei 2024 over Spanje (2023 Update) leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling is in de hiervoor genoemde uitspraak van 24 juni 2024 ingegaan op de opvangomstandigheden in Spanje en heeft onder andere geoordeeld dat dit AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan de informatie waar de Afdeling eerder al over heeft geoordeeld. Ook met de beschrijving van eisers eigen ervaring heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dergelijke structurele tekortkomingen. Eiser heeft immers verklaard dat hij ongeveer 15 dagen in Spanje is geweest en dat hij in Spanje geen asiel heeft aangevraagd. De rechtbank overweegt verder dat Spanje met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Als eiser na overdracht aan Spanje problemen ondervindt, dient hij zich te beklagen bij de Spaanse autoriteiten of daar om hulp te vragen (vgl. het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen.
Aanvullende garanties
5.3.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om verweerder op te dragen aanvullende garanties van de Spaanse autoriteiten te vragen, zoals eiser verzoekt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548.
2.ABRvS 6 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2008.