Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond in een verlengde procedure. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep behandeld op 11 maart 2025. Inmiddels heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoeker recht heeft op een vergoeding van proceskosten, welke de minister dient te betalen. De vergoeding is vastgesteld op € 907,-, gebaseerd op een vast bedrag per proceshandeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.