ECLI:NL:RBDHA:2025:13013
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Marokko
Verzoeker is op 7 juli 2025 geïnformeerd over zijn voorgenomen uitzetting naar Marokko op 17 juli 2025 en heeft daarop een aanvraag tot uitstel van vertrek ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tevens maakte hij bezwaar tegen de uitzetting en verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisende belang en de kans van slagen van het bezwaar. Verzoeker voerde aan dat zijn medische klachten, waaronder een trommelvliesperforatie en een hersenschudding, een uitzetting in strijd met artikel 3 EVRM Pro opleveren. Het Bureau Medische Advisering (BMA) stelde echter vast dat er geen sprake is van een medische noodsituatie die een uitstel rechtvaardigt en dat verzoeker in staat is te reizen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat de belangenafweging geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek tot uitstel van vertrek en de voorlopige voorziening werden daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting is afgewezen.