Eiser werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit van 30 september 2024, waarin werd gesteld dat hij onrechtmatig in Nederland verbleef. Eiser voerde aan dat hij op dat moment in het bezit was van een geldig Schengenvisum afgegeven door Spanje, hetgeen hij met een kopie van zijn paspoort onderbouwde.
De rechtbank stelde vast dat het paspoort geldig was tot 8 oktober 2029 en het Schengenvisum een geldigheidsduur had van 15 juli 2024 tot 12 oktober 2024. Het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 4 oktober 2024 bevestigde dat eiser op 30 september 2024 een geldig visum had. Verweerder kon geen concrete aanwijzingen geven dat het visum niet meer geldig was.
Gezien het ontbreken van een deugdelijke motivering in het terugkeerbesluit en het ontbreken van verweer van verweerder, oordeelde de rechtbank dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd. Het beroep werd daarom gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.