Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:13040

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL24.38400
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen terugkeerbesluit wegens motiveringsgebrek en geldig Schengenvisum

Eiser werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit van 30 september 2024, waarin werd gesteld dat hij onrechtmatig in Nederland verbleef. Eiser voerde aan dat hij op dat moment in het bezit was van een geldig Schengenvisum afgegeven door Spanje, hetgeen hij met een kopie van zijn paspoort onderbouwde.

De rechtbank stelde vast dat het paspoort geldig was tot 8 oktober 2029 en het Schengenvisum een geldigheidsduur had van 15 juli 2024 tot 12 oktober 2024. Het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 4 oktober 2024 bevestigde dat eiser op 30 september 2024 een geldig visum had. Verweerder kon geen concrete aanwijzingen geven dat het visum niet meer geldig was.

Gezien het ontbreken van een deugdelijke motivering in het terugkeerbesluit en het ontbreken van verweer van verweerder, oordeelde de rechtbank dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd. Het beroep werd daarom gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het terugkeerbesluit vernietigd wegens motiveringsgebrek en geldig Schengenvisum.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38400

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser voert onder meer aan dat het terugkeerbesluit ten onrechte is opgelegd omdat hij ten tijde van zijn staandehouding niet onrechtmatig in Nederland verbleef. Hij was immers in het bezit van een geldig, door de autoriteiten van Spanje afgegeven Schengenvisum. Om dit standpunt te onderbouwen heeft eiser een kopie van zijn paspoort overgelegd.
1.1.
In het bestreden besluit is vermeld dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij niet in het bezit is van een geldig grensoverschrijdend reisdocument of enig ander document waaruit de identiteit dan wel de verblijfsrechtelijke status kan blijken, eiser van zijn onrechtmatig verblijf geen melding heeft gemaakt bij de korpschef en hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.2.
Uit de door eiser overgelegde kopie van zijn paspoort blijkt dat het paspoort geldig is tot 8 oktober 2029. Daarnaast bevat het paspoort een door de autoriteiten van Spanje afgegeven Schengenvisum met een geldigheidsduur van 15 juli 2024 tot 12 oktober 2024. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 4 oktober 2024 blijkt dat verweerder op 30 september 2024 onderzoek in de systemen en registers heeft verricht en dat dit onderzoek een positieve identificatie heeft opgeleverd in het Visum Informatiesysteem van Spanje. Gelet op deze met elkaar overeenstemmende informatie acht de rechtbank aannemelijk dat eiser ten tijde van zijn ophouding op 30 september 2024 over een geldig Schengenvisum beschikte. De geldigheidsduur van het visum was op dat moment nog niet verstreken. Nu het terugkeerbesluit en de andere dossierstukken geen concrete aanknopingspunten bevatten waaruit volgt dat dit visum niet (meer) geldig was en verweerder ook geen verweer heeft gevoerd tegen eisers stellingen in beroep, acht de rechtbank verweerders standpunt in het bestreden besluit dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft, ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
2. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De overige beroepsgrond behoeft geen bespreking meer.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.