ECLI:NL:RBDHA:2025:13041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.24596
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2008/115/EGEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel van bewaring met zicht op uitzetting naar Algerije

De minister van Asiel en Migratie legde op 7 maart 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder de rechtmatigheid van deze maatregel bevestigd tot 17 maart 2025. De minister stelde de rechtbank opnieuw in kennis van de voortzetting van de bewaring, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser.

Eiser voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was vanwege onduidelijkheid over de presentatie bij de Algerijnse autoriteiten, detentieongeschiktheid en belangenafweging. De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Algerije, ondanks dat geplande presentaties op 8 en 23 april 2025 waren geannuleerd door de Algerijnse autoriteiten. Het onderzoek bij deze autoriteiten loopt nog en er is geen aanwijzing dat binnen redelijke termijn geen presentatie zal plaatsvinden.

De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende medewerking verleent aan zijn uitzetting en dat zijn gezondheidsklachten niet onderbouwd zijn. Ook is de noodzakelijke medische zorg in het detentiecentrum aanwezig. De belangenafweging van de minister om de bewaring voort te zetten werd als zorgvuldig beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24596
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Gürses),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

De minister heeft op 7 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 24 maart 2025 (in de zaak NL25.11230) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 17 maart 2025 rechtmatig was.
De minister heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 6 juni 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. In hetgeen eiser heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt.
Zicht op uitzetting
2. Er is in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije en de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat het zicht op uitzetting ook in eisers geval aanwezig is. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt nog. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 21 mei 2025. Eiser zou op 8 april 2025 in persoon gepresenteerd worden bij de Algerijnse autoriteiten. Deze presentatie is niet doorgegaan omdat de Algerijnse autoriteiten het hebben geannuleerd. Vervolgens zou eiser op 23 april 2025 worden gepresenteerd. Deze presentatie is eveneens geannuleerd door de Algerijnse autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het feit dat onduidelijk is wanneer eiser gepresenteerd zal worden, niet dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. De rechtbank acht daartoe van belang dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt en dat niet is gebleken dat er niet binnen een redelijke termijn een presentatie plaats zal vinden. De rechtbank overweegt verder dat de minister voor het plannen van een presentatie en realiseren van een daadwerkelijk vertrek afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten. Dat dit onderzoek lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer omdat de Algerijnse niet te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank overweegt dat er, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat deze werkwijze niet tot het gewenste resultaat zal leiden. Daarnaast heeft de minister op 3 april 2025, 7 april 2025 en op 6 mei 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Zoals uit verschillende verslagen van vertrekgesprekken blijkt, wacht eiser feitelijk de uitkomst van het lp traject af. Eiser heeft niets ondernomen om zijn terugkeer naar Algerije te bespoedigen. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Niet is gebleken dat eiser die medewerking verleent. Wat betreft eisers beroepsgrond dat zijn gezin in Spanje verblijft en hijzelf eveneens staat ingeschreven in Spanje verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 24 maart 2025 (in de zaak NL25.11230), rechtsoverweging 3. In wat eiser nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Wat eiser verder heeft aangevoerd geeft de rechtbank evenmin aanleiding om te concluderen dat de maatregel van bewaring in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) danwel met de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar Algerije. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Detentiegeschiktheid
3. Voor zover eiser stelt dat hij door zijn gezondheidsklachten detentieongeschikt is, overweegt de rechtbank dat deze stelling door eiser niet nader is onderbouwd. Verder is niet gebleken dat het detentiecentrum niet de noodzakelijke medische zorg aan eiser kan leveren. Eiser kan eventueel bij de directeur van de locatie waar hij verblijft een verzoek indienen om zijn detentiegeschiktheid te laten onderzoeken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Belangenafweging

4. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen (nadere) feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring op te heffen. De minister heeft zijn belang bij voortduring van de maatregel van bewaring zwaarder kunnen laten wegen dan dat van eiser bij opheffing daarvan. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Ambtshalve toets

5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 juni 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.