ECLI:NL:RBDHA:2025:13047
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen terugkeerbesluit ongegrond; geen toetsing artikel 8 EVRM vereist
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit van 28 september 2024, waarin zij werd verplicht Nederland te verlaten vanwege haar onrechtmatige verblijf. Zij stelde dat het gehoor voorafgaand aan het besluit onzorgvuldig was verlopen en dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar haar familie- en privéleven, waardoor het besluit in strijd zou zijn met het Unierecht en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet rechtmatig verblijft en dat de verweerder op grond van artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht is een terugkeerbesluit op te leggen. De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat bij het opleggen van een terugkeerbesluit geen toetsing aan artikel 8 EVRM Pro vereist is.
Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om haar bezwaren naar voren te brengen. Zij is geïnformeerd over het voorgenomen besluit en er zijn gerichte vragen gesteld over haar verblijfsstatus, medische situatie en familie- en gezinsleven. Eiseres heeft ontkennend geantwoord op vragen over familie- of gezinsleven in Nederland of elders in de EU. De rechtbank ziet geen sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard.