ECLI:NL:RBDHA:2025:13049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28617
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stelling asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard

De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag buiten behandeling te stellen. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het beroepschrift bevatte geen gronden, hetgeen een vereiste is op grond van artikel 6:5 Awb Pro. De rechtbank heeft de eiser de mogelijkheid geboden om binnen een hersteltermijn alsnog gronden in te dienen, maar de eiser heeft hier geen gehoor aan gegeven. Ook na een tweede verzoek om opheldering over het ontbreken van gronden en een eventuele verschoonbare reden, bleef reactie uit.

Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzuim niet verschoonbaar is en heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 17 juli 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en geen verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28617

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Dat zijn de punten waarop degene die beroep instelt het niet eens is met het bestreden besluit.
2. Als er geen gronden worden ingediend, kan de rechtbank op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat houdt in dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld. De rechtbank moet dan wel eerst een mogelijkheid tot herstel bieden.
3. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden. Daarom heeft de rechtbank op 30 juni 2025 aan eiser gevraagd om binnen vijf werkdagen alsnog gronden in te dienen. Hierbij is meegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien de gronden niet binnen die termijn alsnog worden ingediend.
4. Eiser heeft binnen de door de rechtbank gestelde termijn geen gronden ingediend. Bij bericht van 9 juli 2025 heeft de rechtbank aan eiser gevraagd om binnen twee werkdagen kenbaar te maken of het juist is dat binnen de herstelverzuimtermijn geen beroepsgronden zijn ingediend en zo ja, of daarvoor een verschoonbare reden is. Eiser heeft hierop niet gereageerd.
5. Niet is gebleken dat het verzuim verschoonbaar is. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.