Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Is ten onrechte afgezien van horen?
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 valt, aangezien hij geen werknemer is en geen gezinslid van een Turkse werknemer. Eiser voerde aan dat hij en zijn voormalige echtgenote rechten ontlenen aan het Besluit 1/80, mede verwijzend naar het arrest Genc van het Hof van Justitie van de EU.
De rechtbank oordeelde dat eiser sinds december 2021 geen onbetwist verblijfsrecht meer had en dat de arbeid die hij daarna verrichtte niet als legale arbeid in loondienst kan worden aangemerkt. Ook werd vastgesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ex-echtgenote als Turkse werknemer kwalificeert. Het beroep op het arrest Genc faalde daarom. Daarnaast voldeed eiser niet aan de voorwaarde van vijf jaar legaal verblijf als familielid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht.
Verder stelde de rechtbank vast dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden en dat de minister terecht heeft afgezien van het houden van een hoorzitting, aangezien geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de aanvraag en het terugkeerbesluit in stand blijven. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.