ECLI:NL:RBDHA:2025:13083
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na uitspraak in beroep verblijfsvergunning
Verzoekster diende op 8 mei 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af bij besluit van 10 mei 2024. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd op 17 juli 2024 eveneens afgewezen.
Hiertegen stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank. Tegelijkertijd vroeg zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om het afwijzende besluit tijdelijk te schorsen. De voorzieningenrechter behandelde dit verzoek op 2 juni 2025, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar verzoekster en haar gemachtigde afwezig bleven.
Op 3 juli 2025 deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.28951). Omdat de hoofdzaak inmiddels is beslist, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.