ECLI:NL:RBDHA:2025:13086
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden voor slachtoffer mensenhandel
Eiseres, een slachtoffer-aangever van mensenhandel, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden. De minister wees deze af op basis van het sepot van het Openbaar Ministerie (OM) en het ontbreken van noodzaak voor haar aanwezigheid in Nederland voor opsporing en vervolging.
Eiseres ontving een bedenktijd, maar maakte hier geen gebruik van. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft volstaan met het sepotbesluit van het OM en dat eiseres onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangevoerd om het besluit als onevenredig te beschouwen.
De rechtbank overwoog verder dat de minister niet bevoegd was om zelf een bedenktijd aan te bieden en dat afwijking van het beleid op grond van artikel 4:84 Awb Pro niet mogelijk was omdat het ging om een algemene maatregel van bestuur. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.