ECLI:NL:RBDHA:2025:13090
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning B8-regeling
Verzoekster heeft een ambtshalve aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van de B8-regeling, nadat zij aangifte had gedaan van mensenhandel. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 27 juni 2024 afgewezen en het bezwaar van verzoekster op 15 augustus 2024 eveneens ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld onder zaaknummer NL24.35508 en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend onder zaaknummer NL24.35509.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld op 29 april 2025, waarbij verzoekster niet aanwezig was, maar haar gemachtigde wel. Gezien de uitspraak op het hoofdberoep van dezelfde dag, waarbij het beroep is behandeld, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst het verzoek af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.E.A. Braeken en griffier P. Bruins op 10 juli 2025. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is afgewezen.