ECLI:NL:RBDHA:2025:13098
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om opvang asielzoeker buiten Rva om wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Eiser, een Jemenitische asielzoeker, verzocht het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) om opvang te continueren nadat zijn verblijfsvergunning was afgewezen en het recht op opvang was geëindigd. Het COa wees dit verzoek af omdat eiser niet viel onder de categorieën die recht hebben op opvang volgens artikel 3 van Pro de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) en er geen bijzondere omstandigheden waren die opvang buiten de Rva om rechtvaardigden.
Eiser voerde aan dat terugkeer naar Jemen een schending van artikel 3 EVRM Pro zou betekenen en dat hij op grond van het Handvest van de grondrechten van de EU recht heeft op financiële ondersteuning. Tevens stelde hij dat de bed-, bad- en broodregeling onvoldoende is en dat een vrijheidsbeperkende locatie onterecht als basisvoorziening wordt gebruikt. De rechtbank oordeelde echter dat het COa niet gehouden is opvang te verlenen buiten de in de Rva genoemde categorieën, tenzij er sprake is van een acute medische noodsituatie of vergelijkbare bijzondere omstandigheden, welke eiser niet aannemelijk maakte.
De rechtbank verwierp de overige beroepsgronden als niet aan de orde en zag geen aanleiding voor een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser werd vrijgesteld van het griffierecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvangverzoek door het COa wordt ongegrond verklaard.