Eiser, een Oezbeekse nationaliteit dragende persoon, werd op 7 juli 2025 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. Op 16 juli 2025 vond de zitting plaats waarbij eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en met tolk, zijn standpunten toelichtte.
Eiser trok zijn beroepsgronden met betrekking tot het redelijk vermoeden van illegaal verblijf en zicht op uitzetting in. Hij stelde dat een lichter middel, zoals meldplicht, passend zou zijn geweest omdat hij een tewerkstellingsvergunning had en direct aan het werk kon bij een werkgever in Rotterdam. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was en dat de gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende waren om het risico van onttrekking aan toezicht aan te nemen.
Voorts voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de behandeling van zijn herhaalde asielaanvraag. De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor bewaring op grond van artikel 59b Vw en dat voortvarendheid in het kader van uitzetting niet vereist is bij deze maatregel. Er was bovendien een vertrekgesprek en een hoorzitting gehouden kort na de aanvraag.
De ambtshalve toetsing door de rechtbank leidde niet tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.