ECLI:NL:RBDHA:2025:13109

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.30290
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiser, een Oezbeekse nationaliteit dragende persoon, werd op 7 juli 2025 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. Op 16 juli 2025 vond de zitting plaats waarbij eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en met tolk, zijn standpunten toelichtte.

Eiser trok zijn beroepsgronden met betrekking tot het redelijk vermoeden van illegaal verblijf en zicht op uitzetting in. Hij stelde dat een lichter middel, zoals meldplicht, passend zou zijn geweest omdat hij een tewerkstellingsvergunning had en direct aan het werk kon bij een werkgever in Rotterdam. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was en dat de gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende waren om het risico van onttrekking aan toezicht aan te nemen.

Voorts voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de behandeling van zijn herhaalde asielaanvraag. De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor bewaring op grond van artikel 59b Vw en dat voortvarendheid in het kader van uitzetting niet vereist is bij deze maatregel. Er was bovendien een vertrekgesprek en een hoorzitting gehouden kort na de aanvraag.

De ambtshalve toetsing door de rechtbank leidde niet tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30290

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Oezbeekse nationaliteit te hebben.
2. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser zijn beroepsgronden ten aanzien van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en het zicht op uitzetting op zitting heeft ingetrokken.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Eiser heeft namelijk een tewerkstellingsvergunning ontvangen van het UWV [2] , zodat hij direct kan werken. Hij is al in contact met een werkgever in Rotterdam die hem direct van werk kan voorzien.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, welke niet zijn betwist, feitelijk juist zijn en voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Voortvarend handelen
5. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser heeft op 7 juli 2025 een herhaalde asielaanvraag ingediend en is hij pas op 14 juli 2025 daarover gehoord.
6. De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. [4] De maatregel van bewaring is namelijk niet gericht op terugkeer. Dit betekent dat verweerder bij een maatregel van bewaring op deze grondslag niet gehouden is om voortvarend handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting van eiser, zodat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling. Verder is met eiser op 7 juli 2025, kort na zijn asielaanvraag, een vertrekgesprek gevoerd en is hij op 14 juli 2025 gehoord over zijn asielaanvraag.
Ambtshalve toets
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ABRvS 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553.