ECLI:NL:RBDHA:2025:13124

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juni 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.26862
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiseres, van Tunesische nationaliteit, is op 6 mei 2025 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Zij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft de rechtmatigheid van de maatregel tot het moment van het sluiten van een eerder onderzoek bevestigd en beoordeelt alleen het voortduren daarna. Uit het dossier blijkt dat de minister op 9 mei 2025 een aanvraag voor een laissez passer (lp) aan de Tunesische autoriteiten heeft gestuurd, maar deze aanvankelijk onvolledig was. Na herstel is de aanvraag op 15 mei 2025 verzonden. De rechtbank oordeelt dat dit tijdsverloop niet wijst op onvoldoende voortvarendheid.

De Tunesische autoriteiten hebben nog niet aangegeven geen lp te zullen afgeven en het onderzoek loopt nog. Eiseres heeft niet altijd volledige medewerking verleend, bijvoorbeeld door niet te verschijnen bij een vertrekgesprek. De rechtbank benadrukt de rechtsplicht van eiseres tot volledige medewerking. De minister verricht maandelijks uitzettingshandelingen en de rechtbank ziet geen reden voor meer acties.

De belangenafweging leidt niet tot opheffing van de maatregel. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en dat er zicht is op uitzetting. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.26862
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. H. Drenth),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

De minister heeft op 6 mei 2025 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 mei 2025 (in de zaak NL25.20757) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Over hetgeen eiseres heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
5. Uit de voortgangsgegevens blijkt het volgende. De minister heeft op 9 mei 2025 de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) verzocht om een aanvraag voor een laissez passer (lp) door te geleiden naar de Tunesische autoriteiten. De minister heeft in zijn verweerschrift van 23 juni 2025 toegelicht dat vervolgens bleek dat de lp aanvraag niet goed was ingevuld én dat de originele dacty bij de lp aanvraag ontbraken. Nadat deze punten zijn hersteld is de lp aanvraag op 15 mei 2025 verzonden naar de Tunesische autoriteiten. Gelet op deze toelichting is de rechtbank van oordeel dat het tijdsverloop gelegen tussen 9 mei 2025 en 15 mei 2025 niet maakt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.
Het onderzoek bij de Tunesische autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een lp, laatstelijk op 12 juni 2025. Nu de Tunesische autoriteiten verder tot op heden niet te kennen hebben gegeven dat zij voor eiseres geen lp zullen afgeven, kan niet worden gezegd dat de minister het zicht op uitzetting onvoldoende heeft onderbouwd. Dat het onderzoek lang duurt is evenmin doorslaggevend. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister in deze afhankelijk is van de Tunesische autoriteiten en daarop in beperkte mate invloed kan uitoefenen. Verder is voor de vraag of zicht op uitzetting bestaat van belang of eiseres haar volledige en actieve medewerking verleent aan het onderzoek. De minister heeft op 26 juni 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiseres. Op een met haar op 16 juni 2025 gepland vertrekgesprek is eiseres niet verschenen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat op eiseres de rechtsplicht rust Nederland te verlaten welke plicht onder meer meebrengt dat zij volledige en actieve medewerking dient te verlenen aan het onderzoek naar haar identiteit en nationaliteit om haar terugkeer naar haar land van herkomst of enig ander land waar haar toelating is gewaarborgd, te bewerkstelligen. Eiseres voldoet niet aan die plicht. Het is ook aan eiseres om haar nationaliteit te onderbouwen met documenten of relevante informatie. Volgens vaste rechtspraak moet de minister ten minste één uitzettingshandeling per maand verrichten en het is primair aan de minister om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn om een vreemdeling uit te zetten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in het geval van eiseres meer of andere uitzettingshandelingen had dienen te verrichten. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat er zicht op uitzetting is naar Tunesië in het geval van eiseres en dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. De beroepsgronden slagen daarom niet.
Belangenafweging
6. Over wat eiseres in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. De beroepsgrond slaagt evenmin.

Ambtshalve toetsing

7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 juni 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.