ECLI:NL:RBDHA:2025:13131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.30288 en NL25.30374
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en inreisverbod wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, een Albanese vreemdeling, kreeg op 7 juli 2025 een maatregel van bewaring en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel werd gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken, mede omdat hij na het indienen van een asielaanvraag met onbekende bestemming was vertrokken en zijn asielaanvraag buiten behandeling was gesteld.

Eiser betwistte de zware gronden voor de maatregel en stelde dat een lichter middel volstond, aangezien zijn paspoort in bezit was van de overheid. Ook stelde hij dat de overheid onvoldoende voortvarend handelde en dat het zicht op uitzetting ontbrak. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden feitelijk juist waren en dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend was.

Verder concludeerde de rechtbank dat de overheid wel degelijk voortvarend handelde, met onder meer een positief bericht van de Officier van Justitie, een ingediende T&O-aanvraag bij de Albanese autoriteiten en een gepland vertrekgesprek met vluchtaanvraag. De rechtbank stelde vast dat het terugkeerbesluit van 3 december 2024 in rechte vaststaat en dat het risico op onttrekking voldoende is gemotiveerd.

De beroepen tegen de maatregel van bewaring en het inreisverbod werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De beroepen tegen de maatregel van bewaring en het inreisverbod worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.30288 en NL25.30374

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd (het bestreden besluit 2).
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Albanese nationaliteit.
Het bestreden besluit 1 (maatregel van bewaring)
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist zware grond 3b. Hiertoe voert hij aan dat hij zich eerder heeft gemeld op het politiebureau, maar toen niet serieus is genomen.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [4] volgt dat voor het opleggen van onder meer de zware gronden 3b en 3c alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. [5] De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft op 5 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend, waarna hij op 10 oktober 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Verder is op 3 december 2024 eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld. In dat besluit is tevens een terugkeerbesluit aan eiser uitgevaardigd, waarin is opgenomen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Deze zware gronden zijn feitelijk juist en voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken of dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Zijn paspoort is namelijk beschikbaar en is ingenomen door verweerder.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarnaast is hij eerder met onbekende bestemming vertrokken.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
7. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eisers paspoort is in het bezit van verweerder, zodat onduidelijk is waarom hij nog niet kan worden uitgezet. Ook ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, aldus eiser.
8. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft op 8 juli 2025 een bericht ontvangen van de Officier van Justitie met de mededeling dat er geen bezwaar is tegen uitzetting van eiser. Verder is op 9 juli 2025 een T&O [6] aanvraag opgemaakt en op 10 juli 2025 ingediend bij de Albanese autoriteiten. Op 11 juli 2025 is een vertrekgesprek gevoerd met eiser en is een vlucht aangevraagd voor 21 juli 2025. Dat hij reeds over een paspoort beschikt, maakt voorgaande niet anders. Eiser dient immers gecontroleerd te worden uitgezet. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt.
Ambtshalve toets
9. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Het bestreden besluit 2 (inreisverbod)
10. De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit van 3 december 2024 in rechte vaststaat. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder het risico op onttrekking voldoende heeft gemotiveerd, zodat verweerder niet heeft hoeven afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. De enkele stelling van eiser dat het terugkeerbesluit in het dossier van het beroep tegen het inreisverbod ontbreekt, maakt niet dat eiser niet op de hoogte was van dat terugkeerbesluit. Daarnaast is het terugkeerbesluit wel toegevoegd aan het dossier van het beroep tegen de maatregel van bewaring waar eiser ook toegang tot heeft. Dat eiser verder heeft aangegeven niet meer terug te zullen keren, leidt niet tot een andere conclusie.
Conclusie
11. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
6.Terugname- & Overnameovereenkomsten.